Als je ouder bent, wordt je zieker van kinderziekten
Het is belangrijk om te bepalen of iemand ziek/niet ziek is
Longembolie = longinfarct → acuut kortademig + POB
Ziekte van Behcet = ontsteking aan de kleine vaatjes. Recidiverende zweren,
kan in combinatie met oog/huid aandoening
Verlengde expiratie duidt op obstructie van de long
Bronchiaal ademgeruis = klein laagje vocht in de longen → ontsteking
CRP = acute ontstekingseiwitten
Normale pH = 7,35-7,45
Normale pCO2 = 35-45
Normale pO2 = 150-200
Thoraxfoto wordt beoordeeld op ABCDEF:
A: airway (trachea)
B: breathing (longen)
C: circulation (hart, aorta)
D: diafragma
E: Exterior (skelet, armen)
F: foreign bodies (niet natuurlijk, tubes, infusen etc. )
Maatstaven voor pneumonie:
Fine score
AMBU-score
Als pleuravocht aanwezig is bij een pneumonie dan is er sprake van een
ernstige pneumonie!
→ drain toepassen om dit te verwijderen. Wel met negatieve druk, zo zuig je
het vocht weg en voorkom je dat de long inklapt.
Luchtweginfecties
Onderste: pneumonie (vaak veroorzaakt door een bacterie), trachitis,
bronchitis
Bovenste: sinusitis, tonsilitis, otitis.
Virussen zijn de belangrijkste oorzaak van een luchtweginfectie
Boven de stembanden (larynx) is het een bovenste luchtweginfectie
Onder de larynx = onderste luchtweginfectie.
Belangrijkste sterfte oorzaak, voornamelijk bij kinderen, is een pneumonie.
,Pneumonieen kunnen worden onderverdeeld naar anatomische positie en
verwekker.
Aan de plaats van de infectie valt te voorstellen wat voor pathogeen het
waarschijnlijk zal zijn:
Rhinovirus = bovenste deel v/d luchtwegen
Influenza = overal, door het hele lichaam
Pertusis = kinkhoest, onderste luchtwegen
syncytial virus = bij ouderen bovenste luchtwegen, bij kinderen onderste
luchtwegen.
Er zijn 3 soorten pneumonie:
CAP = community acquired pneumony
HAP = hospital acquired pneumony
VAP = ventilated associated pneumony
Grootste verschillen hiertussen:
de verwekker
de resistentie
de afweer van de patiënt
Mortaliteit:
CAP: <1%
HAP: 5-15%
VAP: >50%
CAP
Incidentie: 1,1-4 per 1000 personen
5-12% van alle lagere luchtweginfecties wereldwijd
20% van de mensen met een CAP wordt opgenomen
6th meest voorkomende doodsoorzaak.
Verwekkers CAP:
1) streptococcus pneumoniae (pneumokok)
2) mycoplasma pneumoniae (vooral bij jonge kinderen)
3) Legionella pneumophila (verhoogd risico bij rokers)
4) Chlamydiae pneumoniae
Bij mensen met COPD is er grote kans op: haemophylus influenza.
Hier werkt penicilline niet op!!
Het is achterhaald om te spreken van een typische op atypische verwekker; dit
is bijna niet te zeggen op grond van het klinisch beeld.
Diagnostiek:
sputum en/of bloed kweek
pleuravocht
legionella antigeen test
pneumokokken antigeen test (sensitiviteit laag)
Belangrijkste manieren om een luchtweginfectie op te lopen:
Handen schudden
, lichamelijk contact
TBC, influenza en legionella kan door aanhoesten
S'nachts loopt keelvloeistof je luchtwegen in (aspiratie) daardoor krijg je vooral
een longontsteking.
Afweermechanismen van de long:
hoesten
secretoir IgA
cilia (trilharen), de 'escalator' waardoor alle vuil omhoog wordt bewogen
mucus
2e lijn afweer:
Witte bloedcellen
dendritische cellen
Luchtweg macrofagen
3e lijn afweer:
Alveolaire macrofagen → ze fagocytern/virussen + stimuleren cytokinen
die ervoor zorgen door witte bloedcellen naar de long worden getrokken
Risicoclassificatie:
fine (pneumoniae severity index = PSI)
AMBU-65:
Ademhalingsfrequentie > 30/min
leeftijd > 65
Ureum > 7 mmol/l
Mentale toestand (niet helder zijn)
Bloeddruk < 90
Voor elk criterium wordt 1 punt toegekend, het aantal punten voorspeld de
mortaliteit binnen 30 dagen
Vanaf 2 punten behandel je ook legionella mee totdat deze is uitgesloten.
Lage fine score () = thuisbehandelen met AB
Klasse III is buiten en misschien eventjes binnen behandelen
Klasse IV/V = opname.
Fine score is ook handig als ontslag criterium want je kan de verbetering
monitoren hiermee.
Het heeft geen zin een foto te maken; want een verbetering zie je pas na 6
weken op een X-thorax.
Standaardbehandeling:
behandelen met een betalactam middel, zoals amoxicilline.
Bij verdenking op een atypische verwekker behandelen met macroliden,
azitromycine
Legionella behandelen met fluoroquinolonen (remmen DNA synthese)
,Behandelen: 7 dagen
milde pneumonie: 3 dagen
Legionella: 14 dagen
Pneumonie veroorzaakt door aspiratie
Luchtweginfectie wordt veroorzaakt
HAP
Andere verwekkers:
Stafylococcus aureus (verwekt ook steenpuisten en allerlei andere nasty
ziektes)
normaal: 25%, in ziekenhuis: 80%
Kans op resistentie
Vooral bij zwakkere patienten die al in ziekenhuis
Behandelen: 7-14 dagen
VAP
varieren over de tijd; als het wordt veroorzaakt door een bacterie van
buiten dan vroeg.
Lig je lang in ziekenhuis dan meer verwekkers zoals die van een HAP
,
, Hoorcollege 2
Humoraal = in de lichaamsvloeistof
Afweer:
Aangeboren: niet-specifiek + snel (minuten)
Verworven: specifiek (divers) + traag (dagen) + geheugen (reactie
verloopt 2e keer sneller)
Er is een diversiteit aan pathogenen:
eiwitten
schimmels
virussen
bacterieen
parasieten
gisten
Deze hebben allemaal een verschil in grote, opbouw, samenstelling en de
manier van invasie/kolonisatie/verspreiding
Fysiologische barrière:
De huid (meerlagig plaveiselcel epitheel)
De darm (met tight junctions)
Alles in het darmlumen is niet 'in' het lichaam voor de immunoloog.
Verschil in pH tussen de maag en de twaalfvingerige darm
Afweer long:
> 5 micrometer = blijft hangen in de nasopharynx
3-5 micrometer = weggehaald door de mucaciliar escalator
< 3 micrometer = opgegeten door macrofagen
Macrofaag = mobiel en zoekt actief ziekteverwekkers op.
Manier van vernietiging: insluiten → vormt fagosoom → samensmelten met
lysosoom → vernietiging door O2 radicalen
Fagocyterende barrière:
5) neutrofiele granulocyten (PMN – polymorfkernige)
6) monocyten, macrofagen
7) dendritische cel (poortwachter) → aanzetten + aansturen adaptieve
immuunsysteem
Opruimen + potentieel gevaar herkennen → patroonherkenning →
'danger signal' → activatie fagocyten + aansturen lymfocyten
Toll receptor: bindt pathogeen aan dendritische cel.
,5 stappen van het fagocytose proces:
chemotaxie, aantrekken van fagocyten naar de ontsteking
herkenning, herkennen van pathogenen d.m.v. een toll-like receptor
opnemen, opname van de pathogeen door pinocytose
vacuole formatie, vormen van een vacuole met daarin het pathogeen
binnenin de fagocyt.
Vertering, versmelten van de vacuole met lysosomen die zorgen voor de
afbraak van de microbe d.m.v. enzymen.
Ontstekings barrière: Begint met weefselschade → bloedvat verwijding →
exudaatvorming → PMN granulocyten treden uit.
Acuut ontstoken long: instroom fibrine + PMN (houdt ontsteking op de plek +
helpt fagocyten)
Complement: moleculaire barrière (BELANGRIJK BIJ BACTERIELE AFWEER)
serum proteïne, hoge concentratie → normaal inactief
activatie door interactie met micro organisme → enzym cascade → streng
gereguleerd
Het complement wordt gescheiden in twee delen, het grote deel werkt
opsoniserend op de bacterie en het het kleine deel gaat naar het beenmerg en
stuurt de productie van meer fagocyten aan.
Drie taken:
coaten bacterie zodat die makkelijker wordt opgenomen (opsoniseren)
chemotaxie → aantrekken PMN granulocyten uit de bloedbaan die
geopsoniseerde bacteriën eten
lysis bacterie
Aangeboren Adaptief
Cellulair – Neutrofiele granulocyten – T-cellen: T helper cellen +
– Macrofagen cytotoxische T cellen
– Dendritische cellen – B-cellen
– Mestcellen
– Natural killer cellen
Humoraal – Complement – Immunoglobuline (Ig)
– Cytokinen: interferonen
Aangeboren immuunsysteem:
Antigeen presenterende cel (APC) = schakel tussen aangeboren en adaptieve
systeem
MHC (major histocompatibility complex) = het dienblad waarop een stukje
eiwit/virus wordt gepresenteerd. Bij de mens heet dit HLA (human leukocide
antigen)
MHC I = presenteert alles in een cel. Oude eiwitten, viraal eiwit etc. Zit op alle
, kernhoudende cellen → signaleert voor een intracellulaire infectie
MHC II = in staat T-helpercellen te activeren. Hierop worden vooral exogene
peptides getoond. Zit alleen op APC's. APC's hebben dus klasse I en II. MHC II
stuurt B cellen aan.
Herkenning door T-cel receptoren, t-cellen herkennen lineaire stukjes van het
antigeen in combinatie met MHC.
Antistoffen herkennen antigeen. Het werkt heel specifiek, 1 antistof werkt
tegen 1 antigeen. De specificiteit is dus heel hoog, er zijn ongeveer 10^9
verschillende sleutels die op het antigeen passen. (Fab)
Er zijn slechts 5 klassen Ig → dus slechts 5 hendels. (Fc)
De reden waarom specifieke afweer verworven is:
10^11 mogelijke ziektemakers zijn er.
10 ng/ml = serum nodig voor bescherming tegen ziekte
De mens heeft 5 liter bloed = 5000 ml
→ 10^11 * 10 ng *5000 = 5 *10^6 gram antistof = 5000 kilo antistof nodig
Per dag worden er 5 miljoen B-cellen geproduceerd, maar ze prolifereren pas
als ze contact maken met een antigen. B-cellen herkennen een heel
(natief) eiwit!
Herkennen → proliferatie → maturatie → 2 effector cellen:
Geheugen cel
Plasma cel
Herkenning gebeurt specifiek
Proliferatie is adaptief
Effector + geheugencellen zorgen voor geheugen.
Totaal: Efficiënt
Als je voor de eerste keer met een virus in aanraking komt, heb je een lage
[antistof]
Als je voor de tweede keer in aanraking komt met het virus → snellere, hogere
[antistof] (dankzij de geheugencellen)
Bacteriele infectie: opname door APC's → doorgeven aan Th's → aansturen B-
cellen → productie Ig's.