Stijlmiddelen
Stijlfiguren/middelen hebben een tweedelig doel:
– aandacht te trekken van de lezer.
– de lezer overtuigen.
Er zijn drie verschillende soorten stijlmiddelen:
– beeldspraak
– gedachtefiguren
– woordfiguren
Beeldspraak: Je maakt gebruik van beelden die een overeenkomst hebben met iets of
iemand.
Er zijn vijf verschillende beeldspraak die we onderscheiden:
– metafoor: bij een metafoor wordt het verbeelde object vervangen door een vergelijkend
beeld.
– metonymia: verzamelnaam voor stijlmiddelen waarbij de beeldspraak niet rust op een
vergelijking. In plaats van een vergelijking gebruik je een logische of
tijd-ruimterijke nabijheid van het object en het beeld.
Voorbeeld: een deel van het geheel. Nederland verloor met 2-1.
– personificatie: abstracte of levenloze dingen worden als levende wezens voorgesteld.
– synesthesie: zintuigen worden vermengd.
– vergelijking met of zonder als: het object wordt vergeleken met een beeld dat iets
gemeenschappelijks heeft.
Gedachtefiguren: voegen iets extra's toe aan de letterlijke betekenis van de uitleg.
Er zijn 12 gedachtefiguren die we onderscheiden:
– aanspreking: de lezer of luisteraar wordt letterlijk aangesproken.
– antithese: betekent tegenstelling. Twee worden met een tegenstellende betekenis worden
dicht bij elkaar geplaatst zodat het verschil opvalt.
– eufemisme: verzacht wat er gezegd wordt, nooit spottend.
– hyperbool: overdrijving.
– inclusief 'we': de schrijver gebruikt we in de tekst waarmee hij zichzelf en het publiek
bedoelt.
– ironie: zegt het omgekeerde van wat je bedoelt.
– paradox: een schijnbare tegenstelling.
– pleonasme: ergens de nadruk op leggen door het te herhalen.
– preteritio: ergens aan voorbij gaan. (VB: ik zal het maar niet hebben over....)
– retorische vraag: vraag waarop het antwoord al bekend is.
– tautologie: je zegt twee keer hetzelfde met verschillende woorden.
– understatement: tegenovergestelde van een hyperbool.
Stijlfiguren/middelen hebben een tweedelig doel:
– aandacht te trekken van de lezer.
– de lezer overtuigen.
Er zijn drie verschillende soorten stijlmiddelen:
– beeldspraak
– gedachtefiguren
– woordfiguren
Beeldspraak: Je maakt gebruik van beelden die een overeenkomst hebben met iets of
iemand.
Er zijn vijf verschillende beeldspraak die we onderscheiden:
– metafoor: bij een metafoor wordt het verbeelde object vervangen door een vergelijkend
beeld.
– metonymia: verzamelnaam voor stijlmiddelen waarbij de beeldspraak niet rust op een
vergelijking. In plaats van een vergelijking gebruik je een logische of
tijd-ruimterijke nabijheid van het object en het beeld.
Voorbeeld: een deel van het geheel. Nederland verloor met 2-1.
– personificatie: abstracte of levenloze dingen worden als levende wezens voorgesteld.
– synesthesie: zintuigen worden vermengd.
– vergelijking met of zonder als: het object wordt vergeleken met een beeld dat iets
gemeenschappelijks heeft.
Gedachtefiguren: voegen iets extra's toe aan de letterlijke betekenis van de uitleg.
Er zijn 12 gedachtefiguren die we onderscheiden:
– aanspreking: de lezer of luisteraar wordt letterlijk aangesproken.
– antithese: betekent tegenstelling. Twee worden met een tegenstellende betekenis worden
dicht bij elkaar geplaatst zodat het verschil opvalt.
– eufemisme: verzacht wat er gezegd wordt, nooit spottend.
– hyperbool: overdrijving.
– inclusief 'we': de schrijver gebruikt we in de tekst waarmee hij zichzelf en het publiek
bedoelt.
– ironie: zegt het omgekeerde van wat je bedoelt.
– paradox: een schijnbare tegenstelling.
– pleonasme: ergens de nadruk op leggen door het te herhalen.
– preteritio: ergens aan voorbij gaan. (VB: ik zal het maar niet hebben over....)
– retorische vraag: vraag waarop het antwoord al bekend is.
– tautologie: je zegt twee keer hetzelfde met verschillende woorden.
– understatement: tegenovergestelde van een hyperbool.