De student beschrijft wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de
theorieën over taalverwerving volgens
Het behaviorisme Het kind leert taal door het taalaanbod uit zijn
omgeving, het heeft geen aangeboren taalgevoel o.i.d.
Het leert door middel van conditionering en
associatieleren
De generatieve taalkunde Het kind heeft bij de geboorte alles al in zich, er
moeten alleen nog wat ‘schakelaartjes’ worden
omgezet. Er zijn universele grammaticale regels die elk
kind bij zich heeft. Er komt meer uit dan er in wordt
gestopt.
Usage Based Theory Dat kinderen gaan praten heeft niet te maken met
taalinstinct, maar met het sociale instinct van een kind,
dat de behoefte zoekt contact te leggen
De student beschrijft wat de volgende termen betekenen
Fonologie Klankleer (bijvoorbeeld bal-dal)
Semantiek Betekenisleer (bijvoorbeeld mond-muil)
Morfologie Vervoegingen op woordniveau (bijvoorbeeld liep-loopte)
Syntaxis Zinsleer (Bijvoorbeeld ik vermoordde Jan-ik
vermoordde)
Pragmatiek Onderzoek hoe de context invloed heeft op de
betekenis van de uiting (bijvoorbeeld het is koud, als je
wilt dat het raam dichtgaat)
De student benoemt dat het taalverwerkingsmodel van Levelt en dat
van Ellis & Young
verschillende linguïstische niveaus beschrijven