Week 7
Leerdoelen:
1. De begrippen osmoregulatie, excretie, osmolariteit en
osmolaliteit kunnen definiëren.
2. Weten wat het onderscheid tussen iso-osmotische,
hyperosmotische en hypo-osmotische oplossingen is.
3. Het verschil kennen tussen osmoregulators en
osmoconformers en kunnen uitleggen waarom osmoregulatie
energie kost.
4. De ultieme functie van osmoregulatie kunnen beschrijven en
kunnen verklaren waarom interstitieel vocht betrokken is bij dit
proces.
5. De rol van transport epithelia kunnen verklaren bij
osmoregulatie en excretie.
6. Weten welk stikstofhoudend afvalproduct wordt geëxcreteerd
door zoogdieren en waarom.
7. Een schematische tekening kunnen maken van een nefron, de
verschillende delen kunnen onderscheiden en de functie van
elk onderdeel kunnen beschrijven.
8. De relatie tussen filtratie, resorptie, secretie en excretie in de
nier kunnen beschrijven en verklaren.
9. Een onderscheid kunnen maken tussen corticale en
juxtamedullaire nefronen op gebied van anatomie en functie,
en het belang van juxtamedullaire nefronen bij zoogdieren
kunnen aangeven.
10. Kunnen verklaren hoe de lis van Henle de resorptie van
water via de nier doet toenemen.
11. Het tegenstroomprincipe in de Lis van Henle kunnen
beschrijven en het nut ervan kunnen toelichten.
12. Kunnen beschrijven hoe de nierfunctie gereguleerd wordt
door middel van nerveuze en hormonale controle.
13. Het renine-angiotensine-aldosteron systeem kunnen
beschrijven en de invloed ervan op water- en zoutbalans
kunnen uitleggen.
Leerdoelen:
1. De begrippen osmoregulatie, excretie, osmolariteit en
osmolaliteit kunnen definiëren.
2. Weten wat het onderscheid tussen iso-osmotische,
hyperosmotische en hypo-osmotische oplossingen is.
3. Het verschil kennen tussen osmoregulators en
osmoconformers en kunnen uitleggen waarom osmoregulatie
energie kost.
4. De ultieme functie van osmoregulatie kunnen beschrijven en
kunnen verklaren waarom interstitieel vocht betrokken is bij dit
proces.
5. De rol van transport epithelia kunnen verklaren bij
osmoregulatie en excretie.
6. Weten welk stikstofhoudend afvalproduct wordt geëxcreteerd
door zoogdieren en waarom.
7. Een schematische tekening kunnen maken van een nefron, de
verschillende delen kunnen onderscheiden en de functie van
elk onderdeel kunnen beschrijven.
8. De relatie tussen filtratie, resorptie, secretie en excretie in de
nier kunnen beschrijven en verklaren.
9. Een onderscheid kunnen maken tussen corticale en
juxtamedullaire nefronen op gebied van anatomie en functie,
en het belang van juxtamedullaire nefronen bij zoogdieren
kunnen aangeven.
10. Kunnen verklaren hoe de lis van Henle de resorptie van
water via de nier doet toenemen.
11. Het tegenstroomprincipe in de Lis van Henle kunnen
beschrijven en het nut ervan kunnen toelichten.
12. Kunnen beschrijven hoe de nierfunctie gereguleerd wordt
door middel van nerveuze en hormonale controle.
13. Het renine-angiotensine-aldosteron systeem kunnen
beschrijven en de invloed ervan op water- en zoutbalans
kunnen uitleggen.