Stellen Begrippen
6.1.1 Bepalen doel, publiek en tekstsoort: De schrijver stelt vast wat hij met
zijn tekst wil bereiken (doel) en aan wie hij de tekst schrijft (publiek). Afhankelijk
van doel en publiek kiest hij een bepaald soort tekst.
6.1.2 Verzamelen, selecteren en ordenen van inhoud: De schrijver bepaalt
de inhoud van zijn tekst. Daarbij gebruikt hij zijn eigen kennis over het onderwerp
en eventueel uit andere bronnen.
6.1.3 Structureren: De schrijver geeft zijn tekst een bepaalde opbouw of
structuur.
Voorbeelden van meer specifieke tekststructuren zijn:
- stapelstructuur: waarin de tekst bestaat uit min of meer losse onderdelen
(telefoonboek, boodschappenlijstje, leerboek van een schoolvak);
- verhaalstructuur: waarin personages opeenvolgende gebeurtenissen
meemaken;
- betoogstructuur: waarin uitspraken ondersteund worden met argumenten.
6.1.4 Formuleren: De schrijver zet zijn gedachten om in geschreven taal.
6.1.5 Reviseren: De schrijver herleest en herziet zijn tekst (het product).
6.1.6 Verzorgen: De schrijver maakt de vormgeving en lay-out van zijn tekst in
orde.
6.1.7 Reflecteren op schrijfgedrag: De schrijver denkt bewust na over zijn
schrijfactiviteit (het proces) en over de tekst (het product).
6.1.9 Tekstsoorten: Teksten die dezelfde bedoeling hebben, horen tot dezelfde
tekstsoort.
Er zijn verschillende soorten teksten, die met een bepaalde bedoeling geschreven
zijn (Aarnoutse & Verhoeven 2003):Verhalende teksten, Informatieve teksten,
Directieve teksten, Beschouwende teksten, Argumentatieve teksten
6.1.10 Tekstkenmerken:
Een tekst heeft bepaalde kenmerken: een inhoud (thema), een vorm (taalgebruik
en structuur) en een bedoeling (doel).
Inhoud
Als een leerling geïnteresseerd is in slangen en al veel over dit onderwerp weet,
zal hij een tekst over slangen sneller begrijpen en kan hij vlotter een tekst over
slangen schrijven.
Structuur
Leerlingen die weten dat tekstsoorten volgens een bepaalde structuur zijn
opgebouwd, profiteren van deze kennis wanneer ze een tekst lezen of zelf
schrijven. Bij verhalende teksten wordt bijvoorbeeld in het begin de hoofdpersoon
voorgesteld en zijn situatie beschreven. Vervolgens komen het doel van de
6.1.1 Bepalen doel, publiek en tekstsoort: De schrijver stelt vast wat hij met
zijn tekst wil bereiken (doel) en aan wie hij de tekst schrijft (publiek). Afhankelijk
van doel en publiek kiest hij een bepaald soort tekst.
6.1.2 Verzamelen, selecteren en ordenen van inhoud: De schrijver bepaalt
de inhoud van zijn tekst. Daarbij gebruikt hij zijn eigen kennis over het onderwerp
en eventueel uit andere bronnen.
6.1.3 Structureren: De schrijver geeft zijn tekst een bepaalde opbouw of
structuur.
Voorbeelden van meer specifieke tekststructuren zijn:
- stapelstructuur: waarin de tekst bestaat uit min of meer losse onderdelen
(telefoonboek, boodschappenlijstje, leerboek van een schoolvak);
- verhaalstructuur: waarin personages opeenvolgende gebeurtenissen
meemaken;
- betoogstructuur: waarin uitspraken ondersteund worden met argumenten.
6.1.4 Formuleren: De schrijver zet zijn gedachten om in geschreven taal.
6.1.5 Reviseren: De schrijver herleest en herziet zijn tekst (het product).
6.1.6 Verzorgen: De schrijver maakt de vormgeving en lay-out van zijn tekst in
orde.
6.1.7 Reflecteren op schrijfgedrag: De schrijver denkt bewust na over zijn
schrijfactiviteit (het proces) en over de tekst (het product).
6.1.9 Tekstsoorten: Teksten die dezelfde bedoeling hebben, horen tot dezelfde
tekstsoort.
Er zijn verschillende soorten teksten, die met een bepaalde bedoeling geschreven
zijn (Aarnoutse & Verhoeven 2003):Verhalende teksten, Informatieve teksten,
Directieve teksten, Beschouwende teksten, Argumentatieve teksten
6.1.10 Tekstkenmerken:
Een tekst heeft bepaalde kenmerken: een inhoud (thema), een vorm (taalgebruik
en structuur) en een bedoeling (doel).
Inhoud
Als een leerling geïnteresseerd is in slangen en al veel over dit onderwerp weet,
zal hij een tekst over slangen sneller begrijpen en kan hij vlotter een tekst over
slangen schrijven.
Structuur
Leerlingen die weten dat tekstsoorten volgens een bepaalde structuur zijn
opgebouwd, profiteren van deze kennis wanneer ze een tekst lezen of zelf
schrijven. Bij verhalende teksten wordt bijvoorbeeld in het begin de hoofdpersoon
voorgesteld en zijn situatie beschreven. Vervolgens komen het doel van de