Probleem 1
Memory → term op twee manieren gebruikt
1. proces waarin informatie voor een bepaalde tijd wordt opgeslagen →
synoniem voor leren
2. een deel van het menselijk geheugen waar benodigde informatie zit
● in het werkgeheugen / langetermijngeheugen
Storage → proces van “putting” nieuwe informatie in je geheugen
Encoding → het bewerken van informatie die mensen binnen krijgen en in hun
geheugen zetten → zorgt ervoor dat je de informatie makkelijker opslaat
● de vorm veranderen van de informatie
● toevoegen van nieuwe informatie
● eenvoudigen van informatie
Retrieval → het proces van informatie “vinden” wat eerder in het geheugen is
geplaatst
● ophalen van informatie
Dual-store model of memory
sensory register → houdt inkomende informatie lang genoeg vast zodat het
voorafgaande cognitieve processen kan ondergaan
● capaciteit → erg groot, zelfs bij kinderen van 6 maanden → al is het wel
tijdelijk
● manier van opslaan → opgeslagen op de manier waarop het binnenkomt
→ visueel wordt visueel opgeslagen etc
● sensory register houdt informatie vast voordat encoding optreedt
, ● duur → een hele korte tijd, we weten niet precies hoe lang → daarna door
naar het werkgeheugen
❖ auditief blijft langer hangen dan visueel
de rol van aandacht → zorgt ervoor dat informatie van het sensory register naar
het werkgeheugen gaat
● factoren die aandacht beïnvloeden
1. motion → bewegende objecten trekken meer aandacht
2. grootte → grote objecten trekken meer aandacht
3. intensiteit → bijv fellere kleuren en hardere geluiden
4. nieuwe of ongewone dingen
5. incongruity → dingen die nergens op slaan trekken meer aandacht
6. social cues → mensen vestigen hun aandacht eerder ergens op als
ze andere op dat zien reageren
7. emotie → stimuli met sterke emotionele associatie trekt aandacht
8. personal significance → de betekenis en relevantie voor een
persoon van een object of evenement
● cocktail party phenomenon → je kan maar op een ding tegelijk focussen en
de rest negeer je
● shadowing → als iemand luistert met koptelefoon naar twee stemmen
tegelijk, er werd gevraagd om 1 stem te herhalen
❖ makkelijker → verschillende stemmen / verschillende onderwerpen
● figure-ground → wanneer mensen gefocust zijn op de details van een
object kunnen ze de ander dingen daaromheen niet zien
● je kan 2 dingen tegelijk doen, hoe? → door limited processing capacity →
het aantal stimuli die een deel van je aandacht kunnen krijgen ligt aan de
hoeveelheid cognitieve processen die nodig zijn
❖ als je langer auto kan rijden kan je makkelijker naast het autorijden ook een
gesprek voeren
❖ toch wel aandacht iets minder want mensen zijn niet gemaakt om te
multitasken
werkgeheugen → component van het geheugen waarin actief denken optreedt →
identificeert informatie in het sensorisch register, bewaart deze informatie voor
een langere tijd en verwerkt het verder + houdt vast en verwerkt informatie van
het langetermijngeheugen
● “bewustzijn”
● ook wel kortetermijn geheugen genoemd
central executive → subcomponent van het werkgeheugen, bestuurt en
controleert de flow en gebruik van informatie door het geheugensysteem
● “head of the head”
● effort control → hoe effectief het proces van central executive is
,karakteristieken werkgeheugen
● capaciteit → erg gelimiteerd, gemiddeld 7 eenheden
● manier van opslaan → groot deel is encoded in auditieve vorm, vooral
wanneer de informatie op taal gebaseerd is
❖ chunking → informatie combineren tot 1 stuk informatie → hierdoor
kan je meer kwijt in je werkgeheugen
er zijn ook andere manieren om het op te slaan:
❖ phonological loop → audio informatie wordt hier opgeslagen door
herhaling → door herhaling goed herinneren
❖ visuospatial sketchpad → zorgt voor manipulatie en korte termijn
geheugen opslag van visuele informatie → bijv → je ziet in je hoofd
waar je gister zat in de les
❖ episodic buffer → vorm + herinnering om het om te slaan in het
langetermijngeheugen + je koppelt het aan dingen die al in je
langetermijngeheugen zitten
❖ duur → kort, minder dan 30 seconden
control processen in het werkgeheugen
● organisatie → wanneer er een bepaalde structuur in informatie zit is dit
makkelijker te onthouden
❖ bijv → cijfers onthouden in digits
❖ beter onthouden door betekenis te geven aan de nummers
● retrieval → informatie ophalen van het werkgeheugen is vaak makkelijk en
gaat automatisch, het hangt af van hoeveel informatie er in het
werkgeheugen zit
● maintenance rehearsal → informatie herhalen om te zorgen dat het niet
vergeten wordt door je werkgeheugen
❖ vaker bij volwassenen en oudere kinderen dan bij jongere kinderen
langetermijngeheugen → meest complexe component van het geheugensysteem
● sneller hierin geplaatst als de informatie gerelateerd is aan iets wat iemand al weet
2 soorten kennis
1. declarative knowledge → hoe dingen zijn, waren of zullen zijn
2. procedural knowledge → weten hoe je dingen moet doen
● capaciteit → onbeperkt, hoe meer informatie erin zit, hoe makkelijker het
is om nieuwe informatie op te slaan
● manier van opslaan → vaak de kern van de informatie, je onthoudt niet
precies wat je binnen krijgt
❖ explicit knowledge → kennis dat mensen kunnen vertellen en
uitleggen → bewust leren
❖ implicit knowledge → beïnvloedt onbewust je gedrag → gedrag hand
in het vuur → automatisch geleerd
❖ duur → permanent
❖ vergeten → is eigenlijk het niet meer kunnen ophalen van de
informatie maar hij is er wel
, kritiek
● niet duidelijk of korte termijn en lange termijn echt twee verschillende dingen zijn
● 3 componenten zijn niet zo gescheiden maar lopen meer in elkaar over
● is bewust denken en nodig om in lange termijn op te slaan?
Alternatieve perspectieven van het menselijk geheugen
levels of processing model → inkomende informatie wordt verwerkt door een
centrale processor
● centrale processor heeft een gelimiteerde capaciteit en kan maar zoveel
informatie tegelijk vasthouden → dat is de informatie waar we bewust van
zijn
● hoe lang de informatie wordt herinnerd hangt af van hoe grondig de centrale
processor er mee bezig is (hoe diep je het verwerkt)
● informatie wat helemaal niet verwerkt wordt → laat alleen hele kleine
impressie achter (vergelijkbaar met sensory register)
● informatie waar we aandacht aan geven blijft langer in de centrale processor
2 manieren van leren
1. intentional learning → intentie hebben om iets te leren→ leerlingen
die dit doen zijn geneigd eerder iets te leren en en te onthouden
dan studenten die het leren alleen maar doen om het leren
● diepte van verwerkingen is wat leersucces beïnvloedt
2. incidental learning → niet de intentie om iets te leren → volgens
onderzoek kunnen deze studenten even goed kunnen leren en
herinneren als mensen die deze intentie niet hebben als je de
informatie diep verwerkt
kritiek
● diepte van leren is lastig te definiëren en lastig te meten
● bewijs dat oppervlakkig leren kan leiden tot betere resultaten → haalt hele
theorie onderuit
activation → sommige theoretici zeggen dat het werkgeheugen en het
langetermijngeheugen 2 verschillende activatie staten zijn van 1 geheugen
● actief → nieuwe informatie en al geplaatste informatie waar de persoon
aandacht aan besteed en verwerkt (werkgeheugen)
● inactief → niet bewust van deze informatie
● als bewijs → priming → de aanwezigheid van een stimulus activeert
herinneringen die geassocieerd zijn met de stimulus
Cognitive load theory → stelt dat we rekening moeten houden met beperkingen
van ons werkgeheugen om efficiënt te leren
● bijv → individuele verschillen
langetermijngeheugen
Memory → term op twee manieren gebruikt
1. proces waarin informatie voor een bepaalde tijd wordt opgeslagen →
synoniem voor leren
2. een deel van het menselijk geheugen waar benodigde informatie zit
● in het werkgeheugen / langetermijngeheugen
Storage → proces van “putting” nieuwe informatie in je geheugen
Encoding → het bewerken van informatie die mensen binnen krijgen en in hun
geheugen zetten → zorgt ervoor dat je de informatie makkelijker opslaat
● de vorm veranderen van de informatie
● toevoegen van nieuwe informatie
● eenvoudigen van informatie
Retrieval → het proces van informatie “vinden” wat eerder in het geheugen is
geplaatst
● ophalen van informatie
Dual-store model of memory
sensory register → houdt inkomende informatie lang genoeg vast zodat het
voorafgaande cognitieve processen kan ondergaan
● capaciteit → erg groot, zelfs bij kinderen van 6 maanden → al is het wel
tijdelijk
● manier van opslaan → opgeslagen op de manier waarop het binnenkomt
→ visueel wordt visueel opgeslagen etc
● sensory register houdt informatie vast voordat encoding optreedt
, ● duur → een hele korte tijd, we weten niet precies hoe lang → daarna door
naar het werkgeheugen
❖ auditief blijft langer hangen dan visueel
de rol van aandacht → zorgt ervoor dat informatie van het sensory register naar
het werkgeheugen gaat
● factoren die aandacht beïnvloeden
1. motion → bewegende objecten trekken meer aandacht
2. grootte → grote objecten trekken meer aandacht
3. intensiteit → bijv fellere kleuren en hardere geluiden
4. nieuwe of ongewone dingen
5. incongruity → dingen die nergens op slaan trekken meer aandacht
6. social cues → mensen vestigen hun aandacht eerder ergens op als
ze andere op dat zien reageren
7. emotie → stimuli met sterke emotionele associatie trekt aandacht
8. personal significance → de betekenis en relevantie voor een
persoon van een object of evenement
● cocktail party phenomenon → je kan maar op een ding tegelijk focussen en
de rest negeer je
● shadowing → als iemand luistert met koptelefoon naar twee stemmen
tegelijk, er werd gevraagd om 1 stem te herhalen
❖ makkelijker → verschillende stemmen / verschillende onderwerpen
● figure-ground → wanneer mensen gefocust zijn op de details van een
object kunnen ze de ander dingen daaromheen niet zien
● je kan 2 dingen tegelijk doen, hoe? → door limited processing capacity →
het aantal stimuli die een deel van je aandacht kunnen krijgen ligt aan de
hoeveelheid cognitieve processen die nodig zijn
❖ als je langer auto kan rijden kan je makkelijker naast het autorijden ook een
gesprek voeren
❖ toch wel aandacht iets minder want mensen zijn niet gemaakt om te
multitasken
werkgeheugen → component van het geheugen waarin actief denken optreedt →
identificeert informatie in het sensorisch register, bewaart deze informatie voor
een langere tijd en verwerkt het verder + houdt vast en verwerkt informatie van
het langetermijngeheugen
● “bewustzijn”
● ook wel kortetermijn geheugen genoemd
central executive → subcomponent van het werkgeheugen, bestuurt en
controleert de flow en gebruik van informatie door het geheugensysteem
● “head of the head”
● effort control → hoe effectief het proces van central executive is
,karakteristieken werkgeheugen
● capaciteit → erg gelimiteerd, gemiddeld 7 eenheden
● manier van opslaan → groot deel is encoded in auditieve vorm, vooral
wanneer de informatie op taal gebaseerd is
❖ chunking → informatie combineren tot 1 stuk informatie → hierdoor
kan je meer kwijt in je werkgeheugen
er zijn ook andere manieren om het op te slaan:
❖ phonological loop → audio informatie wordt hier opgeslagen door
herhaling → door herhaling goed herinneren
❖ visuospatial sketchpad → zorgt voor manipulatie en korte termijn
geheugen opslag van visuele informatie → bijv → je ziet in je hoofd
waar je gister zat in de les
❖ episodic buffer → vorm + herinnering om het om te slaan in het
langetermijngeheugen + je koppelt het aan dingen die al in je
langetermijngeheugen zitten
❖ duur → kort, minder dan 30 seconden
control processen in het werkgeheugen
● organisatie → wanneer er een bepaalde structuur in informatie zit is dit
makkelijker te onthouden
❖ bijv → cijfers onthouden in digits
❖ beter onthouden door betekenis te geven aan de nummers
● retrieval → informatie ophalen van het werkgeheugen is vaak makkelijk en
gaat automatisch, het hangt af van hoeveel informatie er in het
werkgeheugen zit
● maintenance rehearsal → informatie herhalen om te zorgen dat het niet
vergeten wordt door je werkgeheugen
❖ vaker bij volwassenen en oudere kinderen dan bij jongere kinderen
langetermijngeheugen → meest complexe component van het geheugensysteem
● sneller hierin geplaatst als de informatie gerelateerd is aan iets wat iemand al weet
2 soorten kennis
1. declarative knowledge → hoe dingen zijn, waren of zullen zijn
2. procedural knowledge → weten hoe je dingen moet doen
● capaciteit → onbeperkt, hoe meer informatie erin zit, hoe makkelijker het
is om nieuwe informatie op te slaan
● manier van opslaan → vaak de kern van de informatie, je onthoudt niet
precies wat je binnen krijgt
❖ explicit knowledge → kennis dat mensen kunnen vertellen en
uitleggen → bewust leren
❖ implicit knowledge → beïnvloedt onbewust je gedrag → gedrag hand
in het vuur → automatisch geleerd
❖ duur → permanent
❖ vergeten → is eigenlijk het niet meer kunnen ophalen van de
informatie maar hij is er wel
, kritiek
● niet duidelijk of korte termijn en lange termijn echt twee verschillende dingen zijn
● 3 componenten zijn niet zo gescheiden maar lopen meer in elkaar over
● is bewust denken en nodig om in lange termijn op te slaan?
Alternatieve perspectieven van het menselijk geheugen
levels of processing model → inkomende informatie wordt verwerkt door een
centrale processor
● centrale processor heeft een gelimiteerde capaciteit en kan maar zoveel
informatie tegelijk vasthouden → dat is de informatie waar we bewust van
zijn
● hoe lang de informatie wordt herinnerd hangt af van hoe grondig de centrale
processor er mee bezig is (hoe diep je het verwerkt)
● informatie wat helemaal niet verwerkt wordt → laat alleen hele kleine
impressie achter (vergelijkbaar met sensory register)
● informatie waar we aandacht aan geven blijft langer in de centrale processor
2 manieren van leren
1. intentional learning → intentie hebben om iets te leren→ leerlingen
die dit doen zijn geneigd eerder iets te leren en en te onthouden
dan studenten die het leren alleen maar doen om het leren
● diepte van verwerkingen is wat leersucces beïnvloedt
2. incidental learning → niet de intentie om iets te leren → volgens
onderzoek kunnen deze studenten even goed kunnen leren en
herinneren als mensen die deze intentie niet hebben als je de
informatie diep verwerkt
kritiek
● diepte van leren is lastig te definiëren en lastig te meten
● bewijs dat oppervlakkig leren kan leiden tot betere resultaten → haalt hele
theorie onderuit
activation → sommige theoretici zeggen dat het werkgeheugen en het
langetermijngeheugen 2 verschillende activatie staten zijn van 1 geheugen
● actief → nieuwe informatie en al geplaatste informatie waar de persoon
aandacht aan besteed en verwerkt (werkgeheugen)
● inactief → niet bewust van deze informatie
● als bewijs → priming → de aanwezigheid van een stimulus activeert
herinneringen die geassocieerd zijn met de stimulus
Cognitive load theory → stelt dat we rekening moeten houden met beperkingen
van ons werkgeheugen om efficiënt te leren
● bijv → individuele verschillen
langetermijngeheugen