Begrippen Tentamen: Politiek en Bestuur
Hoofdstuk 2: Enkele begrippen
Soevereiniteit: Hoogste macht of gezag -> De staat heeft namelijk als enige
organisatie of entiteit de controle over de binnenlandse aangelegenheden.
Ministeriële verantwoordelijkheid: ministers verantwoordelijk voor alles en
de koning onschendbaar
Recht van amendement: het recht om wetsvoorstellen te wijzigen
Recht van enquête: in een bepaalde zaak onderzoek in te stellen.
Codificatie: het op schrift stellen van recht, letterlijk ‘het maken van een boek’
Modificatie: de overheid wil continu inspelen op de ontwikkelingen in de
samenleving en mogelijk daarop vooruitlopen en ontwikkelingen beïnvloeden.
Actor: ‘Hij die handelt’ -> deelnemer
Iedereen bij een beleidsproces is betrokken
Provincie, gemeente, ambtenaar of burger
Bestuurslagen: rijk, provincie en gemeente
Decentralisatie: de toedeling van taken en bevoegdheden aan andere
overheidsorganen dan de centrale overheid.
Verticale machtenscheiding: het verdelen van de bevoegdheden tussen de
rijksoverheid, provincies en de gemeenten.
Territoriale decentralisatie: wanneer andere overheidsorganen een bepaald
gebied besturen (provincies en gemeenten
Functionele decentralisatie: wanneer zo’n ander overheidsorgaan is ingesteld
ter behartiging van een bepaald doel (waterschap).
Autonomie: Binnen zekere grenzen hebben zij exclusieve taken en
bevoegdheden waar de andere overheden zich niet mee mogen mengen.
Gemeenten en provincies hebben een eigen huishouding (bijv. rioleringsstelsel)
Medebewindstaken: betrekking op het uitvoeren van rijkstaken door lagere
overheden (bevolkingsregister)
Deconcentratie: het zich fysiek over een land verspreiden van delen van een
overheid. Het zijn als ware filialen van een ministerie (regionale kantoren van de
Belastingdienst
Bureaupolitiek: actoren die doelstellingen nastreven, die in strijd zijn met
beleid of organisatie doelstellingen.
Het poldermodel: alle deelbelangen zoveel mogelijk tegemoetkomen door
deelbelanggroepen met elkaar aan tafel te laten zitten.
Hoofdstuk 2: Enkele begrippen
Soevereiniteit: Hoogste macht of gezag -> De staat heeft namelijk als enige
organisatie of entiteit de controle over de binnenlandse aangelegenheden.
Ministeriële verantwoordelijkheid: ministers verantwoordelijk voor alles en
de koning onschendbaar
Recht van amendement: het recht om wetsvoorstellen te wijzigen
Recht van enquête: in een bepaalde zaak onderzoek in te stellen.
Codificatie: het op schrift stellen van recht, letterlijk ‘het maken van een boek’
Modificatie: de overheid wil continu inspelen op de ontwikkelingen in de
samenleving en mogelijk daarop vooruitlopen en ontwikkelingen beïnvloeden.
Actor: ‘Hij die handelt’ -> deelnemer
Iedereen bij een beleidsproces is betrokken
Provincie, gemeente, ambtenaar of burger
Bestuurslagen: rijk, provincie en gemeente
Decentralisatie: de toedeling van taken en bevoegdheden aan andere
overheidsorganen dan de centrale overheid.
Verticale machtenscheiding: het verdelen van de bevoegdheden tussen de
rijksoverheid, provincies en de gemeenten.
Territoriale decentralisatie: wanneer andere overheidsorganen een bepaald
gebied besturen (provincies en gemeenten
Functionele decentralisatie: wanneer zo’n ander overheidsorgaan is ingesteld
ter behartiging van een bepaald doel (waterschap).
Autonomie: Binnen zekere grenzen hebben zij exclusieve taken en
bevoegdheden waar de andere overheden zich niet mee mogen mengen.
Gemeenten en provincies hebben een eigen huishouding (bijv. rioleringsstelsel)
Medebewindstaken: betrekking op het uitvoeren van rijkstaken door lagere
overheden (bevolkingsregister)
Deconcentratie: het zich fysiek over een land verspreiden van delen van een
overheid. Het zijn als ware filialen van een ministerie (regionale kantoren van de
Belastingdienst
Bureaupolitiek: actoren die doelstellingen nastreven, die in strijd zijn met
beleid of organisatie doelstellingen.
Het poldermodel: alle deelbelangen zoveel mogelijk tegemoetkomen door
deelbelanggroepen met elkaar aan tafel te laten zitten.