Boek: Fysiologie voor de paramedische wetenschappen
1 – inleiding
Fysiologie = natuurwetenschap
Gericht op levensprocessen
Leven
(1) Het vermogen zich door stofwisseling in stand te houden onder wisselende
omstandigheden.
(2) Het vermogen tot voortplanting
2 – organisatieniveaus (2.3.6 en 2.3.7 niet!)
Organisatieniveaus menselijk lichaam
Molecuul organel cel weefsel orgaan stelsel organisme
Organisme stelsel orgaan weefsel cel organel molecuul
Het menselijk lichaam bestaat uit water en moleculen van organische stoffen.
koolstofatoom ketens (C), verbonden met waterstof (H), stikstof (N) en zuurstof (O).
, organische stoffen te onderscheiden in eiwitten, lipiden, koolhydraten en N-basen.
Oplosbaarheid in water
- Goed polaire stoffen (polair = elektrisch geladen groepen in een molecuul)
- Matig licht polaire stoffen
- Slecht apolaire stoffen (apolair = elektrische aantrekkingskracht ontbreekt)
Functies van eiwitten (proteïnen): spiercontractie, stevigheid, elasticiteit, zuurstoftransport,
stofuitwisseling, afweerreacties en het versnellen van chemische processen (katalysator).
Eiwitten zijn opgebouwd uit één, tot en met duizend of meer aminozuurketens.
Daarin kunnen 20 verschillende aminozuren voorkomen.
In de bouw van een eiwit zijn vier verschillende structuren te herkennen:
- Primaire structuur: aminozuurketen
- Secundaire structuur: betrekking op vorm van de keten
- Tertiaire structuur: manier waarop eiwitketens ruimtelijk opgevouwen worden
- Quaternaire structuur: ontstaat door verbindingen tussen eiwitketens
Fibrillaire eiwtitten langwerpig. (collageen, trekvast in de lengterichting vezel)
Denaturatie = ruimtelijke structuur van een eiwit wordt verbroken.
Enzymen = eiwitten die dienen als katalysator.
Vetten/Lipiden
Esters = verbinding van een meervoudig alcohol met vetzuren. (en evt. andere verbindingen)
Steroïden = lipiden met vier karakteristieke koolstofringstructuren. (cholesterol)
Koolhydraten bestaan uit C, H en O. de OH-groepen zorgen voor een polaire structuur.
monosachariden (enkelvoudige suiker), disachariden (dubbelsuikers), polysachariden (5+)
ATP = de belangrijkste energiedrager. (gevormd door verbranding van koolhydraten en vet)
Er zijn 5 stikstofhoudende basen, die de genetische code van je DNA en RNA vormen.
Adenine, Guanine, Cytosine, Thymine en Uracil.
DNA = belangrijkste drager van erfelijke informatie
DNA is opgebouwd uit een base, een pentose (ribose/desoxyribose) en een fosfaatgroep.
RNA = vertaalt de basenvolgorde naar volgorde van aminozuren in het eiwit.
Cellen in ons lichaam ondergaan cel differentiatie, en zijn daarna gespecialiseerd in een
bepaalde functie. Het nadeel hiervan is dat alle cellen in het lichaam onderling afhankelijk
zijn van elkaar.
Elke cel heeft een celmembraan, het celmembraan vormt een chemische scheidingswand
tussen de hydrofiel intracellulaire ruimte en de extracellulaire ruimte.
Concentratiegradiënt = geleidelijke verloop van concentratieverschil tussen twee plaatsen.
Diffusie = moleculen gaan van een hoge concentratie naar een lage concentratie.