MAW SAMENVATTING H9
T/M 11
9.2 ANALYSE: GEZAG, REPRESENTATIE EN
REPRESENTATIVITEIT
Gezag: macht die als legitiem beschouwd wordt.
Bij gezag wordt de macht van een actor als legitiem beschouwd. (aanvaarden dat hun vrijheid
wordt ingeperkt.
Micro en macroniveau gezag gebruiken:
Micro:
- Persoonlijke kwaliteiten, zoals overwicht of charisma;
- Geleverde prestaties, zoals gewonnen oorlogen;
- De positie of functie die iemand heeft, bijvoorbeeld directeur of paus.
Hoe meer mensen gezag herkennen, hoe stabieler de politieke positie van het land.
Representatie: De vertegenwoordiging van een groep in (politieke) organisaties door één of enkele
betrokkenen die namens de groep optreden.
Representativiteit: De mate waarin de (politieke) besluiten, de standpunten of
achtergrondkenmerken van vertegenwoordigers overeenkomen met die van de groep die zij
vertegenwoordigen.
Representatie gaat om het feit dat een groep wordt vertegenwoordigd en bij representativiteit hoe
goed dat gebeurt.
- Bij representativiteit wordt gekeken naar overeenkomsten op de volgende punten:
achtergrondkenmerken, Lijkt de ‘politiek’ wat betreft variabelen als leeftijd en geslacht op de
bevolking die die vertegenwoordigt.
- Standpunten, heeft de politieke partij waarop ze stemmen wel dezelfde standpunten?
- Besluiten, besluiten kabinet komen overeen met die van de partijen die erin zitten?
3 modellen (verschillende visies op (politieke) representatie:
1. Afspiegelingsmodel:
Volksvertegenwoordiging moet zoveel mogelijk lijken op de samenstelling van het volk.
Zelfde opvattingen & achtergrondkenmerken. Moeilijk haalbaar.
2. Rolmodel:
Functie om het volk te vertegenwoordigen, achtergrondkenmerken doen er niet toe. Het
gaat meer om standpunten. 2 opvattingen over standpunten:
, - Het zogenaamde delegate-model: volksvertegenwoordiger moet zich met standpunten laten
leiden door volk.
- Het zogenaamde trusteeship-model: volksvertegenwoordiger eigen afweging maken en zich
als gevolmachtigde mag opstellen.
3. Partijenmodel:
Focus ligt op politieke partijen. Kiezers stemmen op partij en partij moet zich houden aan
partijstandpunten.
Vaak en regelmatig houden van verkiezingen draagt bij aan de representativiteit.
9.3 PARADIGMA’S OVER GEZAG
Functionalisme-paradigma
Legt nadruk op structuren van de samenleving en beschouwt de samenleving als geheel, als systeem.
Subsystemen met verschillende functies die elk hun eigen bijdrage leveren. Subsystemen = sociale
instituties (onderwijs, gezondheidszorg, politie).
Waarden en normen over gedragen (socialisatie) in bijv onderwijs waardoor een gemeenschappelijk
waardensysteem ontstaat.
Conflict-paradigma
Meer aandacht voor gezag, strijd tussen machthebbers en minder machtigen worden bestudeerd.
Verschillen volgens Dahrendorf:
- Natuurlijke of sociale verschillen?
Natuurlijke verschillen gaat het om biologische eigenschappen en capaciteiten die erbij
horen. Bij sociale gaat het om de culturele betekenis van verschillen.
- Soort- of rangverschil?
Mensen hebben verschillende capaciteiten en rollen dat niet meer of minder gewaardeerd
wordt. Rangverschil zit wel waardering.
Indelingen volgens Dahrendorf
- Natuurlijke soortverschillen: verschillen in (natuurlijke) eigenschappen zoals geslacht, lengte
en gewicht;
- Natuurlijke rangverschillen: verschillen in capaciteiten, zoals loop- en gezichtsvermogen;
- Sociale differentiatie: verschillen in positie rechten, zoals gender en positie ( vader of kind ).
- Sociale stratificatie: verschil in taken en verantwoordelijkheden, zoals dokter en
vakkenvuller.
T/M 11
9.2 ANALYSE: GEZAG, REPRESENTATIE EN
REPRESENTATIVITEIT
Gezag: macht die als legitiem beschouwd wordt.
Bij gezag wordt de macht van een actor als legitiem beschouwd. (aanvaarden dat hun vrijheid
wordt ingeperkt.
Micro en macroniveau gezag gebruiken:
Micro:
- Persoonlijke kwaliteiten, zoals overwicht of charisma;
- Geleverde prestaties, zoals gewonnen oorlogen;
- De positie of functie die iemand heeft, bijvoorbeeld directeur of paus.
Hoe meer mensen gezag herkennen, hoe stabieler de politieke positie van het land.
Representatie: De vertegenwoordiging van een groep in (politieke) organisaties door één of enkele
betrokkenen die namens de groep optreden.
Representativiteit: De mate waarin de (politieke) besluiten, de standpunten of
achtergrondkenmerken van vertegenwoordigers overeenkomen met die van de groep die zij
vertegenwoordigen.
Representatie gaat om het feit dat een groep wordt vertegenwoordigd en bij representativiteit hoe
goed dat gebeurt.
- Bij representativiteit wordt gekeken naar overeenkomsten op de volgende punten:
achtergrondkenmerken, Lijkt de ‘politiek’ wat betreft variabelen als leeftijd en geslacht op de
bevolking die die vertegenwoordigt.
- Standpunten, heeft de politieke partij waarop ze stemmen wel dezelfde standpunten?
- Besluiten, besluiten kabinet komen overeen met die van de partijen die erin zitten?
3 modellen (verschillende visies op (politieke) representatie:
1. Afspiegelingsmodel:
Volksvertegenwoordiging moet zoveel mogelijk lijken op de samenstelling van het volk.
Zelfde opvattingen & achtergrondkenmerken. Moeilijk haalbaar.
2. Rolmodel:
Functie om het volk te vertegenwoordigen, achtergrondkenmerken doen er niet toe. Het
gaat meer om standpunten. 2 opvattingen over standpunten:
, - Het zogenaamde delegate-model: volksvertegenwoordiger moet zich met standpunten laten
leiden door volk.
- Het zogenaamde trusteeship-model: volksvertegenwoordiger eigen afweging maken en zich
als gevolmachtigde mag opstellen.
3. Partijenmodel:
Focus ligt op politieke partijen. Kiezers stemmen op partij en partij moet zich houden aan
partijstandpunten.
Vaak en regelmatig houden van verkiezingen draagt bij aan de representativiteit.
9.3 PARADIGMA’S OVER GEZAG
Functionalisme-paradigma
Legt nadruk op structuren van de samenleving en beschouwt de samenleving als geheel, als systeem.
Subsystemen met verschillende functies die elk hun eigen bijdrage leveren. Subsystemen = sociale
instituties (onderwijs, gezondheidszorg, politie).
Waarden en normen over gedragen (socialisatie) in bijv onderwijs waardoor een gemeenschappelijk
waardensysteem ontstaat.
Conflict-paradigma
Meer aandacht voor gezag, strijd tussen machthebbers en minder machtigen worden bestudeerd.
Verschillen volgens Dahrendorf:
- Natuurlijke of sociale verschillen?
Natuurlijke verschillen gaat het om biologische eigenschappen en capaciteiten die erbij
horen. Bij sociale gaat het om de culturele betekenis van verschillen.
- Soort- of rangverschil?
Mensen hebben verschillende capaciteiten en rollen dat niet meer of minder gewaardeerd
wordt. Rangverschil zit wel waardering.
Indelingen volgens Dahrendorf
- Natuurlijke soortverschillen: verschillen in (natuurlijke) eigenschappen zoals geslacht, lengte
en gewicht;
- Natuurlijke rangverschillen: verschillen in capaciteiten, zoals loop- en gezichtsvermogen;
- Sociale differentiatie: verschillen in positie rechten, zoals gender en positie ( vader of kind ).
- Sociale stratificatie: verschil in taken en verantwoordelijkheden, zoals dokter en
vakkenvuller.