Hoorcolleges voorbereiden: Syllabus H1 t/m H5
Werkgroep voorbereiden: Opgave 3
Hoofdstuk 2 Fiscale jaarwinstberekening (Syllabus)
De jaarlijks uit de administratie op te stellen balans en winst-en-verliesrekening
dient om de grondslag te berekenen voor de jaarlijkse belastingheffing over de
winst uit onderneming, box 1 Wet IB 2001.
Het goedkoopmansgebruik schrijft aan de hand van een aantal beginselen voor
wanneer een bate en wanneer een last fiscaal gezien genomen moet worden.
Bepalend voor het tijdstip waarop de bate moet worden genomen is het
realisatiebeginsel. Het tijdstip waarop de last moet worden genomen wordt bepaald
door het matchingbeginsel. Uitzondering daarop is het voorzichtigheidsbeginsel.
Een dergelijke afwaardering mag dan echter weer niet in strijd zijn met de
economische werkelijkheid, een toepassing van het realisatiebeginsel.
Uitstel belasting betalen. De ondernemer kan de winst die ooit wel een keer belast
zal worden met IB onder voorwaarden naar de toekomst verschuiven:
Vorming oudedagsreserve, zie art. 3.67 Wet IB
Vorming andere fiscale reserves zoals een herinvesteringsreserve, zie art.
3.54 Wet IB
Willekeurige afschrijvingen op bepaalde bedrijfsmiddelen, zie art. 3.31 Wet IB
Uitstel geeft een liquidatievoordeel en een rentevoordeel.
Continuïteitsgedachte. Bij het bepalen van de waarde wordt in beginsel uit gegaan
van de continuïteit van de onderneming. Pas als liquidatie in zich is vervalt deze
veronderstelling en wordt over gegaan op waardering tegen liquidatiewaarden.
Realisatiebeginsel. Winsten worden genomen als ze verwezenlijkt zijn. In de regel is
dat het geval als het economisch risico is overgegaan zoals bij levering van de
goederen.
Matchingbeginsel. De kosten moeten zoveel mogelijk toegerekend worden aan de
periode waarin de opbrengsten waarmee de kosten samenhangen zijn genomen.
Voorzichtigheidsbeginsel. Verliezen worden genomen als ze redelijkerwijs te
voorzien zijn, winsten pas als ze zijn gerealiseerd.
Verkrijgingsprijs. Omvat de (historische) inkoopprijs en de bijkomende kosten (lifo
en fifo). De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte
grond- en hulpstoffen en de overige kosten welke rechtstreeks aan de vervaardiging
kunnen worden toegerekend (directe kosten + indirecte kosten).
Actuele waarde. De vervangingswaarde, bedrijfswaarde, marktwaarde of
opbrengstwaarde. De verschillende begrippen worden vervolgens gedefinieerd:
Vervangingswaarde: het bedrag dat nodig is om een goed te vervangen door
een goed dat voor de bedrijfsuitoefening een in economisch opzicht gelijke
betekenis heeft.