Nederlands
Inhoudsopgave
Thema 1, Hoofdstuk 3............................................................................................................................2
Vervoegen in de tegenwoordige tijd..................................................................................................2
Zwakke en sterke werkwoorden.....................................................................................................2
T a X i K o F S C H i P............................................................................................................................3
Voltooid deelwoord........................................................................................................................3
Thema 2, Hoofdstuk 3............................................................................................................................4
Begin- en eindpunt van zinnen...........................................................................................................4
Leespauzes.........................................................................................................................................4
Vraagteken en uitroepteken...............................................................................................................4
Namen................................................................................................................................................4
Feestdagen.........................................................................................................................................4
Thema 3, Hoofdstuk 3............................................................................................................................5
Samenstellingen maken......................................................................................................................5
Klinkerbotsing.....................................................................................................................................5
Zinnen en woorden controleren.........................................................................................................5
Extra controle en verbeteren..............................................................................................................5
1
, Thema 1, Hoofdstuk 3
Vervoegen in de tegenwoordige tijd
De tegenwoordige tijd geeft aan dat iets nu gebeurt. Veel werkwoorden in de
tegenwoordige tijd eindigen op en. Om werkwoorden te vervoegen in de tegenwoordige tijd,
moet je weten wat de ik-vorm is. De ik-vorm vind je meestal door en van het hele
werkwoord af te halen.
Je kunt een schema gebruiken om werkwoorden in de tegenwoordige
tijd te vervoegen:
Bij bepaalde werkwoorden is het niet genoeg om en van het
werkwoord af te halen om de ik-vorm te vinden. Bij woorden waar
uitspraakverwarring ontstaat, verdubbel je de klinker in de ik-vorm.
De ik-vorm van een werkwoord kan nooit op een v of een z eindigen. De v verandert aan het
einde van de ik-vorm in een f en de z verandert aan het einde van de
ik-vorm in een s.
De ik-vorm van een werkwoord kan nooit op een dubbele
medeklinker eindigen. Je laat dan in de ik-vorm een medeklinker
weg.
Hoe je de jij-vorm van een werkwoord in de tegenwoordige tijd schrijft, hangt af van de plek
van het werkwoord in de zin:
als het werkwoord achter ‘jij’ of ‘je’ staat, schrijf je de ik-vorm + t;
als het werkwoord voor ‘jij’ of ‘je’ staat, schrijf je de ik-vorm.
Zwakke en sterke werkwoorden
De verleden tijd geeft aan dat iets in het verleden gebeurde of dat iets in het verleden zo
was. Als je een werkwoord in de verleden tijd wilt vervoegen, moet je weten of het
werkwoord sterk of zwak is.
Bij zwakke werkwoorden blijft de klank van de ik-vorm in de
verleden tijd hetzelfde.
Bij sterke werkwoorden verandert de klank van de ik-vorm in
de verleden tijd.
2
Inhoudsopgave
Thema 1, Hoofdstuk 3............................................................................................................................2
Vervoegen in de tegenwoordige tijd..................................................................................................2
Zwakke en sterke werkwoorden.....................................................................................................2
T a X i K o F S C H i P............................................................................................................................3
Voltooid deelwoord........................................................................................................................3
Thema 2, Hoofdstuk 3............................................................................................................................4
Begin- en eindpunt van zinnen...........................................................................................................4
Leespauzes.........................................................................................................................................4
Vraagteken en uitroepteken...............................................................................................................4
Namen................................................................................................................................................4
Feestdagen.........................................................................................................................................4
Thema 3, Hoofdstuk 3............................................................................................................................5
Samenstellingen maken......................................................................................................................5
Klinkerbotsing.....................................................................................................................................5
Zinnen en woorden controleren.........................................................................................................5
Extra controle en verbeteren..............................................................................................................5
1
, Thema 1, Hoofdstuk 3
Vervoegen in de tegenwoordige tijd
De tegenwoordige tijd geeft aan dat iets nu gebeurt. Veel werkwoorden in de
tegenwoordige tijd eindigen op en. Om werkwoorden te vervoegen in de tegenwoordige tijd,
moet je weten wat de ik-vorm is. De ik-vorm vind je meestal door en van het hele
werkwoord af te halen.
Je kunt een schema gebruiken om werkwoorden in de tegenwoordige
tijd te vervoegen:
Bij bepaalde werkwoorden is het niet genoeg om en van het
werkwoord af te halen om de ik-vorm te vinden. Bij woorden waar
uitspraakverwarring ontstaat, verdubbel je de klinker in de ik-vorm.
De ik-vorm van een werkwoord kan nooit op een v of een z eindigen. De v verandert aan het
einde van de ik-vorm in een f en de z verandert aan het einde van de
ik-vorm in een s.
De ik-vorm van een werkwoord kan nooit op een dubbele
medeklinker eindigen. Je laat dan in de ik-vorm een medeklinker
weg.
Hoe je de jij-vorm van een werkwoord in de tegenwoordige tijd schrijft, hangt af van de plek
van het werkwoord in de zin:
als het werkwoord achter ‘jij’ of ‘je’ staat, schrijf je de ik-vorm + t;
als het werkwoord voor ‘jij’ of ‘je’ staat, schrijf je de ik-vorm.
Zwakke en sterke werkwoorden
De verleden tijd geeft aan dat iets in het verleden gebeurde of dat iets in het verleden zo
was. Als je een werkwoord in de verleden tijd wilt vervoegen, moet je weten of het
werkwoord sterk of zwak is.
Bij zwakke werkwoorden blijft de klank van de ik-vorm in de
verleden tijd hetzelfde.
Bij sterke werkwoorden verandert de klank van de ik-vorm in
de verleden tijd.
2