I. Socrates
Eerste filosoof die kennis m.b.t. ethiek onderzocht. Hij stelde vragen en
ging hier dan kritisch op door, waardoor gesprekspartners gedwongen
werden hun ware aard te openbaren en zich bewust te worden van de
ware kennis (de Socratische methode).
II. Aristoteles
Volgens Aristoteles is het hoogste doel in het leven gelukkig zijn. De
mens handelt omdat dit handelen hem geluk oplevert, en dit geluk is te
vinden in het verkrijgen van de deugd (deugdethiek). Hij probeerde
deze deugd te vinden door altijd de gulden middenweg te zoeken.
III. Kant
Niet handelen naar eigen geluk of gewin, maar naar de morele plicht
die men heeft in een maatschappij. Handel zoals je wil dat iedereen
handelt. De mens (het subject) moet handelen volgens hetgeen dat op
grond van algemeen verstand wil.
IV. Mill
Een goede handeling is een nuttige handeling omdat dit het genot
vergroot, terwijl een slechte handeling pijn oplevert. Handelen naar het
grootste geluk voor de grootste hoeveelheid mensen is dan ethisch juist
(utilisme).
V. Aquino & Scholten
Laat zijn ethisch kompas leiden door de christelijke levensovertuiging.
Niet de individu, maar slechts één wezen weet uiteindelijk wat goed en
kwaad is. Kernvraag binnen deze stroming is welke klopt: is iets goed
omdat God het vindt, of vindt God toevallig dingen goed die al inherent
goed zijn?
Ook kennen we het natuurrecht. Dit is een concept dat stelt dat voor iedereen,
ongeacht plaats of tijd, bepaalde rechten gelden omdat deze door de natuur zijn
gegeven en inherent horen bij het zijn van een mens.
Rechtstoepassing = feit past perfect onder rechtsregel, wordt ‘mechanisch’
toegepast, geen interpretatie nodig.
Rechtsvinding = de rechtsregel moet worden uitgelegd alvorens die kan worden
toegepast – (komt het meeste voor) - hiervoor heb je interpretatiemethodes
nodig.
Rechtsvorming = er is geen rechtsregel, de rechter vormt nieuw recht, we
hebben te maken met een nieuwe situatie die niet is de wet is geregeld.
Rechtstoepassing
Een algemene regel (major)