Natuurlijk zal de herkansing er totaal anders uit zien, maar het is vethandig om
meer oefenvragen te hebben :] Dus bij dezen!
1. Volgens postmodernisten moeten wetenschappers veel verschillende
perspectieven op de werkelijkheid bestuderen en er zo achter komen welk
van deze perspectieven de objectieve waarheid is.
a. Fout: De eerste helft van de zin is waar: postmodernisten denken
dat er veel perspectieven op de werkelijkheid zijn en dat het
belangrijk is om je daarvan bewust te zijn en die te bestuderen.
Maar ze denken natuurlijk niet dat een daarvan dé objectieve
waarheid is en dat we die dus moeten vinden. Het doel van het
bestuderen van die verschillende perspectieven is dus precies om
een zaak van heel verschillende kanten te willen bekijken, om niet in
je vooroordelen vast te zitten, enzovoort. Het doel is dus niet om
erachter te komen dat één van die perspectieven dé objectieve
waarheid is.
2. De conclusie van Vladimir Propp dat een sprookjesheld niet gedefinieerd
wordt door zijn innerlijke eigenschappen, maar doordat hij een bepaalde
relatie heeft met een schurk en een prinses, past goed bij het
structuralisme
a. Waar: Een van de basale ideeën van het structuralisme is dat dingen
hun identiteit krijgen doordat ze relaties hebben met andere dingen;
dat een klant is zoals hij is door de relaties die hij heeft met andere
klanken. Een begrip is wat hij is door de relaties die hij heeft met
andere begrippen. Op diezelfde manier zegt Propp dus dat wat je
eigenlijk nodig hebt om die sprookjes te begrijpen, is dat je de
structuur van de verschillende rollen hoe die met elkaar
samenhangen, hoe die op elkaar inspelen, dat je die begrijpt. Dat
maakt dus die rollen tot wat ze zijn. Dus dit verhaal van Propp, ook
al vindt het plaats voordat eigenlijk het structuralisme opkomt, past
heel goed binnen het structuralisme.
3. Bij het beoordelen van de universiteiten op zogenaamde University
Rankings wordt veel nadruk gelegd op de geesteswetenschappen.
a. Fout: Hij refereert aan een sheet die hij tijdens zijn colleges had
laten zien, over hoe de Shanghai Ranking werkt en daar kwamen de
geesteswetenschappen helaas helemaal niet voor.
4. Nietzsche beweert dat onze zintuigen en ons denken erop gemaakt zijn om
in leven te blijven, niet om de objectieve waarheid over de wereld te
ontdekken.
a. Goed: Ons hele denken, onze hele manier van kijken die is zo
ontstaan, zo geworden zoals hij is, zodat wij onszelf hier in leven
kunnen houden. Best wel apart om te denken dat we met precies
diezelfde manieren van denken en zintuigen ook een soort van de
objectieve structuur van de wereld zouden kunnen gaan blootleggen
of iets in die richting. Wat we kunnen verwachten is dat wij de
wereld gaan zien zoals wij die als wezens zouten moeten zien: hoe
wij ontstaan zijn. Maar niet dat dat een soort van objectieve
geldigheid heeft buiten ons eigen bestaan.
5. Methodologie is normatief: ze probeert (onder andere) duidelijk te maken
hoe wetenschap zou moeten gaan (vraag 5 + 6 zijn gebaseerd op zijn
cursusmateriaal!).
a. Goed: Dit is een van de punten die hij aan het begin van zijn
cursusmateriaal maakt. Je probeert vooral duidelijk te maken wat
meer oefenvragen te hebben :] Dus bij dezen!
1. Volgens postmodernisten moeten wetenschappers veel verschillende
perspectieven op de werkelijkheid bestuderen en er zo achter komen welk
van deze perspectieven de objectieve waarheid is.
a. Fout: De eerste helft van de zin is waar: postmodernisten denken
dat er veel perspectieven op de werkelijkheid zijn en dat het
belangrijk is om je daarvan bewust te zijn en die te bestuderen.
Maar ze denken natuurlijk niet dat een daarvan dé objectieve
waarheid is en dat we die dus moeten vinden. Het doel van het
bestuderen van die verschillende perspectieven is dus precies om
een zaak van heel verschillende kanten te willen bekijken, om niet in
je vooroordelen vast te zitten, enzovoort. Het doel is dus niet om
erachter te komen dat één van die perspectieven dé objectieve
waarheid is.
2. De conclusie van Vladimir Propp dat een sprookjesheld niet gedefinieerd
wordt door zijn innerlijke eigenschappen, maar doordat hij een bepaalde
relatie heeft met een schurk en een prinses, past goed bij het
structuralisme
a. Waar: Een van de basale ideeën van het structuralisme is dat dingen
hun identiteit krijgen doordat ze relaties hebben met andere dingen;
dat een klant is zoals hij is door de relaties die hij heeft met andere
klanken. Een begrip is wat hij is door de relaties die hij heeft met
andere begrippen. Op diezelfde manier zegt Propp dus dat wat je
eigenlijk nodig hebt om die sprookjes te begrijpen, is dat je de
structuur van de verschillende rollen hoe die met elkaar
samenhangen, hoe die op elkaar inspelen, dat je die begrijpt. Dat
maakt dus die rollen tot wat ze zijn. Dus dit verhaal van Propp, ook
al vindt het plaats voordat eigenlijk het structuralisme opkomt, past
heel goed binnen het structuralisme.
3. Bij het beoordelen van de universiteiten op zogenaamde University
Rankings wordt veel nadruk gelegd op de geesteswetenschappen.
a. Fout: Hij refereert aan een sheet die hij tijdens zijn colleges had
laten zien, over hoe de Shanghai Ranking werkt en daar kwamen de
geesteswetenschappen helaas helemaal niet voor.
4. Nietzsche beweert dat onze zintuigen en ons denken erop gemaakt zijn om
in leven te blijven, niet om de objectieve waarheid over de wereld te
ontdekken.
a. Goed: Ons hele denken, onze hele manier van kijken die is zo
ontstaan, zo geworden zoals hij is, zodat wij onszelf hier in leven
kunnen houden. Best wel apart om te denken dat we met precies
diezelfde manieren van denken en zintuigen ook een soort van de
objectieve structuur van de wereld zouden kunnen gaan blootleggen
of iets in die richting. Wat we kunnen verwachten is dat wij de
wereld gaan zien zoals wij die als wezens zouten moeten zien: hoe
wij ontstaan zijn. Maar niet dat dat een soort van objectieve
geldigheid heeft buiten ons eigen bestaan.
5. Methodologie is normatief: ze probeert (onder andere) duidelijk te maken
hoe wetenschap zou moeten gaan (vraag 5 + 6 zijn gebaseerd op zijn
cursusmateriaal!).
a. Goed: Dit is een van de punten die hij aan het begin van zijn
cursusmateriaal maakt. Je probeert vooral duidelijk te maken wat