Hoofdstuk 1: ‘Inleiding’
Is meten weten?
Empirisch onderzoek verzameling van feiten en toedrachten met een constante structuur.
overeenkomsten & verbanden ontdekken
theorieën opstellen die feiten & toedrachten kunnen verklaren.
Sciëntisme (Habermas) reductie van sociale wetenschappen tot hun empirische component.
NL (2e helft van jaren 80) – Harry Kunneman – Wetenschappelijke kennisverwerving is als
‘waarheidstrechter’ laat: objectieve, meetbare problemen door.
Habermas: sociale wetenschappen empirisch + interpretatieve (geesteswetenschappen) component.
Sciëntisme = vereenzelviging van wetenschap & empirisch onderzoek. Het zoeken naar waarheid,
objectiviteit & neutraliteit. Wordt verband gelegd tussen wetenschappelijke & maatschappelijke
vooruitgang.
Kritiek op sciëntistische wetenschap beslissingen worden in sterke mate bepaald door de toevallige
institutionele inbedding van onderzoekers door hun afhankelijkheid van politieke en economische
hulpbronnen.
Franse filosoof-historicus: ‘Michel Foucalt’ normaliserende & disciplinerende maatschappelijke
ontstaancontext van de sociale wetenschap & normaliserende en disciplinerende effecten van
toegepaste sociaal wetenschappelijke kennis.
Onderzoeksdomeinen:
-Feiten (empirisch + operationaliseren)
-Beleving (beleving van testpersonen)
-Betekenissen (beleving in verband met hoe mensen situatie interpreteren)
-Regels (geen of wel zicht op (ongeschreven) regels).
Wetenschapsfilosofie = onderzoek naar grondslagen, geldigheid & reikwijdte van maatschappelijke
kennis & onderzoeksmethoden.
Houdt zich bezig met de vraag naar mogelijkheden, beperkingen van wetenschappelijk
onderzoek, de gebruikte methoden & argumentatievormen.
Sociale structuren tussen ‘feit’ en ‘betekenis’ in. Ontstaan uit wisselwerking van de betekenisvolle
gedragingen van individuen.
Feiten = empirisch onderzoek o.b.v. zintuiglijk waarneembare zaken.
Beleving = fenomenologisch onderzoek
Regels = reconstructieve wetenschap
Betekenissen = hermeneutiek
Begrippen = dialectiek
Belangen = paradigma’s.
Ontologisch verschillen naar gelang het antwoord dat zij geven op de vraag naar aard van het
onderzoeksobject (zijnsleer).
Epistemologisch verschillen naar gelang het antwoord dat zij geven op de vraag op welke wijze we
toegang kunnen krijgen tot het object van onderzoek & tot welke vorm van kennen dat leidt (kennisleer).
Methodologisch door welke regels moeten we ons laten leiden bij kennisontwikkeling.
Sociaal-filosofisch en ethisch vraag naar functie van wetenschappelijke kennis & de gevolgen van de
toepassing er van.
, Hoofdstuk 2: Het domein van de feiten (empirisch-analytische wetenschapstheorie)
Inleiding
Gedragswetenschappen zijn empirische wetenschappen.
Het fundament van empirisch onderzoek zijn de zintuiglijke waarneembare feiten. De redenen van
mensen voor hun gedrag behoren daar niet toe. Deze zal de onderzoeker gebruiken als object van
onderzoek (correleren met andere gegevens), niet als bron van kennis.
Empirische wetenschappen: natuurwetenschappen, empirische sociale wetenschappen en onderdelen
van alphawetenschappen (letteren en geschiedenis).
2.2 Wat is een feit?
In de empirische wetenschapsleer: feit = stand van zaken of gebeurtenis waarvan het optreden d.m.v.
zintuiglijke waarneming kan worden vastgesteld. Feiten zijn zelf niet waarneembaar, maar worden
beweerd. Feit pas objectief als het bevestigd wordt door mijn latere waarneming of door waarnemingen
van anderen.
Subjectieve ervaring = ervaring niet in overeenstemming met de feiten.
Empirische sociale wetenschappen eis van waarneembaarheid sterk gerelativeerd en wordt het
begrip ‘feit’ in een bredere betekenis gebruikt.
Empirische onderzoeker; dilemma enerzijds: om tot enigszins betrouwbare vaststelling van feiten te
komen, precieze eenduidige begrippen hanteren die de controleerbaarheid van uitspraken garanderen.
Anderzijds: moet hij aansluiting zoeken bij de meestal intuïtieve, alledaagse begrippen waarmee de
leden van een onderzoekspopulatie de feiten articuleren.
2.3 De empirische methode
Inductieve methode (logisch positivisten), hypothetisch-deductieve methode (logisch empiristen),
combinatie daarvan (empirische cyclus) en falsificationisme (Popper, empirisch-analytische
wetenschapstheorie).
2 redenen om voor Poppers model te kiezen:
-Meeste wetenschapsfilosofen erkennen de bezwaren, maar nemen deze methode toch op in hun
onderzoeksmodellen. Popper neemt de bezwaren tegen inductieve methode serieus en onderzoekt de
consequenties.
-Moderne historische en sociologische onderzoek naar grondslagen van empirische wetenschappen
knoopt aan bij het falsificatiemodel van Popper.
Popper: stelt zich radicaal anders op dan zijn collega’s 1) wetenschappelijk onderzoek begint niet
met verzamelen van gegevens (inductieve methode), maar met problemen. 2) volgens Popper streven
naar weerlegging/falsificatie.
2.3.1 Het begin: een probleem (en een belang)
Botanicus hij zoekt systematisch, hij weet wat hij zoekt.
Waarneming is alleen mogelijk o.b.v. een gezichtspunt, een theorie, een verwachting of desnoods een
geloof. Alle waarneming is theoriegeladen. Zonder theorie, kunnen we niets waarnemen. Feiten zijn
alleen feiten in het licht van een of ander theoretisch gezichtspunt.
Popper noemt het ‘zoeklicht’. De theorie die onze waarneming bepaalt strijkt als een zoeklicht over
de omgeving. Alleen de dingen die oplichten komen in aanmerking om als feit te worden herkend. Wat
is een feit is, hangt dus af van de ‘zoeklichttheorieën’ die onze waarneming bepalen.