Hoofdstuk 1
Pedagogiek = opvoedkunde, het kind leiden naar volwassenheid
Belang van de geschiedenis van pedagogiek:
1. Kennisname van het verleden maakt het heden begrijpelijker
2. Het heden is geen simpele optelsom van ontwikkelingen uit het verleden
3. De geschiedenis mag niet als loopjongen voor de hedendaagse
pedagogische opvattingen fungeren
4. Interesse in wat vroeger is gebeurd is legitiem (noodzakelijk)
5. Het vak historische pedagogiek heeft vooral een ontmoetingsfunctie; het
historische materiaal levert discussie op
6. Een historisch pedagoog heeft een op de toekomst gerichte functie waarbij
een historische analyse niet mag ontbreken
Hoofdstuk 2. De middeleeuwen (500-1500)
Kenmerken van de middeleeuwen:
- Er was een sterke verwevenheid van het christendom en het geloof met de
samenleving
- De kerk drukte een stempel op (bepaalde) de inhoud van het onderwijs
- Er was een onkinderlijke visie op het kind
- De 7 vastomlijnde opvoedingsdoelen (deugden en ondeugden)
- Het middeleeuwse denken over opvoeding werd in belangrijke mate
bepaald door het beginsel van de ootmoed
2 redenen waarom er weinig over de opvoeding en onderwijs bekend in
de Middeleeuwen:
1. Er is weinig schriftelijk bronnenmateriaal bewaard gebleven
(boekdrukkunst pas einde Middeleeuwen uitgevonden)
2. De periode duurde lang: 1000 jaar
Middeleeuwen beginnen in het jaar 529, om 3 gebeurtenissen die in
pedagogisch opzicht belangrijk zijn geweest:
, 1. Monnik Benedictus van Nursia stichtte in Italië het beroemde
benedictijnerklooster Monte Cassino. Het oosterse klooster was sterk
naar binnen gekeerd en contemplatief (beschouwend, gericht op gebed)
maar de benedictijnermonniken in het westen van Europa kwamen wel
achter de kloostermuren vandaan. Er ontstond nu in het kloosterleven
naast oosterse bespiegeling ook westerse arbeid. De kloosterlingen
richtten hun aandacht niet meer alleen op religie, maar hielden zich ook
bezig met dingen als de ontwikkeling van het onderwijs en de
wetenschappen en met de ontginning en ontwikkeling van het land (vooral
landbouw). ‘Bid en werk’ (ora et labora) was hoofdregel.
2. De bepaling van de synode van Vaison in Zuid-Frankrijk: alle pastoors
moesten nu ook (lees)onderwijs geven in hun parochie aan de jongens die
later wellicht priester wilden worden. Deze bepaling was de aanzet voor de
oprichting van parochiescholen.
3. Sluiting van de academie (van Athene) van Plato. Het gedachtegoed
van de klassieke oudheid werd hiermee afgesloten een nieuwe periode
brak aan (de middeleeuwen).
2 belangrijke kenmerken middeleeuwen:
1. Het standenschema van de vorsten, de geestelijkheid, de adel, de
ridders, de burgerij en de lijfeigenen.
- de Wehrstand (de wapenstand: adel en ridders)
- de Lehrstand (de geestelijkheid met haar
onderricht, haar leer)
- de Nährstand (de boerenbevolking die voor de
voedselproductie zorgt)
2. De sterke verwevenheid van het christelijke geloof en de kerk met
de samenleving. Er ontstond een christelijke cultuur en deze kon tot bloei
komen door de hechte kerkelijke organisatiestructuur, zoals die vanuit
Rome werd opgezet (paus – kardinalen – bisschoppen – priesters). Iedereen
wist wat zijn plekje was. Alle vorsten wisten wat ze zich wel en niet konden
veroorloven in hun relatie met de kerk. Deze directe band tussen het
christelijke geloof en de samenleving blijkt onder meer uit de romaanse
en gotische kerkenbouw van die periode. De middeleeuwse mens was
niet alleen gericht op het hier en nu (diesseits), maar ook op het
hiernamaals (jenseits). De spreuk memento mori (gedenk te sterven)
hoorde hierbij. Aandacht voor het hiernamaals was logisch: dodental was