H1 Loon naar werken?
De Franse Revolutie heeft veel te maken met ons denken over het onderwijs iedere
burger, uit welke familie of sociale laag ook, zal gelijke kansen en rechten krijgen.
Geen aristocratie (familiebezit), maar meritocratie (je verdienste bepaalt je
maatschappelijke positie).
Door toegankelijk onderwijs voor iedereen krijgt iedereen gelijke kansen. Onderzoek van
socioloog Jonathan Mijs geeft als conclusie dat meritocratie een belofte is die nooit in
vervulling kan gaan, omdat het onderwijssysteem er niet op is ingericht en mensen nou
eenmaal niet dezelfde uitgangspositie hebben.
Kinderen uit gegoede, hoogopgeleide gezinnen zitten vaker op betere scholen en stromen
vaker door naar hogere niveaus. Oftewel, de sociale klasse bepaalt in welke klas een kind
terechtkomt. Op school wegen vervolgens vooroordelen van leraren mee. Zij verwachten
minder van kinderen uit laagopgeleide milieus. Ouders spelen daarnaast ook een rol;
hoogopgeleide ouders geven hun kind niet alleen genetische en sociale bagage mee, maar
steunen en motiveren hun kinderen ook meer en zetten zowel kind als school onder druk om
naar het hoogste niveau te streven. Ze willen het beste onderwijs voor hun kind.
Inzet loont niet altijd, want niet iedereen krijgt bij geboorte dezelfde talenten mee. Dat
betekent dus dat kinderen geen gelijke startpositie in de samenleving hebben.
Wat een samenleving als verdienstelijk beschouwt, is tijdsgebonden. Intelligentie telt pas
vanaf rond 1900 mee als onderscheidende verdienste.
Intelligentie en verdiensten van mensen bepalen de inrichting van het onderwijs en van de
samenleving. M = I + E, oftewel Merit (verdienste) = Intelligentie (I) en inzet (E, effort).
Je zou kunnen redeneren dat iemand die achterblijft extra onderwijs nodig heeft. Dat dit niet
gebeurt, heeft alles te maken met het economische idee van returns on investment, oftewel
waarde voor je geld krijgen; de samenleving investeert liever in mensen die later
maatschappelijk of economisch belangrijke posities gaan bekleden dan in werklieden.
Hoe vaker kinderen uit verschillende milieus elkaar treffen, hoe meer ze van elkaar kunnen
leren. Dat zorgt er ook voor dat niet iemand ‘beter’ onderwijs krijgt dan de ander.
Verschillen compenseren kan ook door een rijk onderwijsaanbod op school, door soepele
overgangen tussen de groepen (zodat kinderen meer tijd krijgen) en door te investeren in
extra onderwijs voor kinderen van laagopgeleide ouders. Bijvoorbeeld door vroegschoolse
educatie, weekendscholen en schakelklassen. Een latere selectie in het VO en de
mogelijkheid tot stapelen kan meer gelijke kansen creëren.