fysiologie interne aandoeningen
Maud Hazelhoff
Anouk Hoogeveen
,Spijsvertering
1. Hoe heet het hormoon dat uitgescheiden wordt dat de pancreas bij hypoglycaemie
A. Glugacon
B. Glycogenese
C. Insuline
2. Wat is glycolyse?
A. Aanmaak van glucose in een cel
B. Afbraak van glucose in een cel
3. Risicofactoren van arteriosclerose is een langdurige
a. Hyperglycaemie
b. hypoglycaemie
4. Welke processen worden gestimuleerd door insuline. Meerdere antwoorden goed.
A. Bevorderen opname van glucose door lichaamscellen
B. Lipolyse
C. Glycogenese
D. Glycogenolyse
E. Lipogenese
F. Glycolyse
G. Gluconeogenese
5. Een persoon ontwikkelt plotseling diabetes type 1. Die pancreas produceert geen insuline
meer. Wat verwacht je van de bloedglucose spiegel.
A. Hyperglycaemie
B. Hypoglycaemie
C. Blijft gelijk
, 6. Een patiënt ontwikkelt DM 1 en heeft dus een te hoge bloedsuikerspiegel. Waarom voelt hij
zich dan toch zo zwak en moe.
___________________________________________________________
7. Waarom kan een patiënt met DM wel een gevaarlijke hypoglycaemie hebben en waarom een
gezonde persoon niet zomaar?
___________________________________________________________
8. Wat gebeurt er met je suikerspiegel wanneer je receptoren minder gevoelig worden voor
insuline.
A. Gaat omhoog
B. Blijkt gelijk
C. Gaat omlaag
9. Er wordt bij een patiënt die in is gesteld op insuline een glucose van 15 geprikt. Hij voelt zich
prima. De bloedsuikerspiegel is
A. Te laag
B. Te hoog
C. Normaal
10. Een patiënt heeft een veel te lage bloedsuiker spiegel, nadat hij te veel insuline gespoten
heeft. Welke mogelijkheden heeft de patiënt.
A. Suiker eten
B. Glucose inspuiten
C. Slapen
D. Injectie met hormoon glucagon
E. Water drinken
11. Wat is een medische term voor een te hoge bloedsuikerspiegel
A. Hyperglykemie
B. Hypoglykemie