cliënt
Hoofdstuk 1
Er zijn verschillende visies op dezelfde problematiek. Er zijn verschillende
psychologische visies op het gedrag van de mens en zijn problemen. Hierop zijn
verschillende therapieën gebaseerd. In het boek worden er zes besproken
namelijk:
Psychodynamische benaderingen
Cognitief-gedragstherapeutische benaderingen
Clientgerichte benaderingen
Lichaamsgerichte benaderingen
Systeemgerichte benaderingen
Oplossingsgerichte benaderingen
Doel van het boek is het handelen kunnen plaatsen in normatieve en
theoretische kaders. Weten wat je doet en waarom. Je gebruikt technieken in de
sociale context van een individu.
Eclectisch werken is werken met methoden uit verschillende theoretische
kaders.
In de Taart van Lambert zijn de resultaten van zijn onderzoek naar de effecten
van psychotherapieën in een diagram weergegeven.
Verandering door factoren buiten de therapie (40%) bijvoorbeeld zinvolle
dagbesteding
Algemene therapiefactoren (30%) bijvoorbeeld de betrokkenheid van de
therapeut
Technieken (15%)
Placebo effect (15%) je verwacht beter, vertrouwen in de behandeling
De Taart van Norcross is recenter en geeft aan wat de bijdrage is van
methodiek, persoon etc. aan het effect van hulpverlening. Hieruit blijkt dat de
persoonlijkheid van de hulpverlener van belang is.
Onverklaard (45%)
Patiënt (25%)
Therapeutische relatie (10%)
Behandelmethode (8%)
Kenmerken psychotherapeut (7%)
Interactie tussen therapiefactoren (5%)
Het biopsychosociale model – kijken naar een probleem vanuit de interactie
tussen biologische, psychische en sociale aspecten.
,Hoofdstuk 3 psychodynamische benadering
De psychodynamische benaderingen (PDB) vormen de oudste
psychotherapeutische benaderingen. Het stamt af van de theorie van Sigmund
Freud (1856-1939). Freud ontwikkelde de psychoanalyse; een patiënt ligt op
de divan en vertelt alles wat in hem opkomt. Freud ondersteunde de patiënt om
onbewuste zaken toe te laten in het bewuste. Daardoor verliest het onbewuste
een groot deel van zijn ongrijpbare kracht en heeft de patiënt er meer controle
over.
Onbewuste gevoelens en wensen spelen een rol. Moeilijke en angstwekkende
gevoelens zijn weggestopt of worden juist overspoelt met deze gevoelens zonder
dat ze weten waarom. De PDB gaat er vanuit dat problemen stammen uit de
vroege kindertijd.
De theorie van Freud – Freud is de grondlegger van de psychotherapie. Freud is
als een detective op zoek naar onbewuste gevoelens, conflicten en wensen.
De problemen gaan vaak over verdrongen woede, angst en verdriet. Vaak
agressieve en seksuele wensen, die te bedreigend zijn voor het bewuste en
daarom verdrongen naar het onbewuste. Voorbeelden:
Dromen bevatten symbolen van onbewuste wensen, gevoelens en
herinneringen, trauma’s.
Versprekingen.
Doel therapie – het bewust maken van verdrongen problematiek en deze een
plek geven; doorleefd inzicht. Huidige problemen oorsprong in de kindertijd,
nadruk op het vroege verleden. (ouders krijgen vaak de schuld!)
Het driftmodel:
1. Het Es (id)
- Bevat biologisch bepaalde instincten, driften en behoeften.
- Belangrijke driften: seksuele en agressieve.
- Gaat om alles wat ‘lekker is. Genieten.
- Het es is uit op behoeftebevrediging.
- Het es is irrationeel, impulsief en uit op genot.
- Het es werkt volgens het lustprincipe.
- het es overheerst bij baby’s.
2. Het ego; het ‘ik’
- Uit botsingen met de realiteit ontstaat het ego.
- Moet behoeftebevrediging uitstellen.
- Moet rekening houden met werkelijkheid en anderen.
- Zelfbeheersing!! Nee kunnen verdragen en leren wachten.
- werkt volgens het realiteitsprincipe.
Het ego gaat verloren bij dementie. Bij kinderen met ADHD is het ego zwak. Een
sterk ego is belangrijk in onze maatschappij.
3. Het superego
- Geweten: verboden en geboden.
- Ideaal-ik.
- Geweten straft ons met schuldgevoel bij overtreding.
- Werkt volgens het morele principe.
, - Te streng superego: te weinig behoeftebevrediging. Last voor jezelf.
- Te zwak superego: teveel aan je zelf denken; geen of weinig
inlevingsvermogen. Last voor anderen.
Dynamiek tussen es, ego en superego:
Het ego moet behoeften uit het es ‘netjes’ bevredigen en rekening houden met
de eisen van het superego!
Freud heeft een zeer pessimistisch mensbeeld.
De ontwikkelingsfasen van het es, ego en superego:
1. De orale fase (babytijd)
Zone van lustbevrediging: mond.
Zuigen, sabbelen, drinken bijten lekker
Kind afhankelijk van verzorgers
Behoefte aan warmte en veiligheid.
Bij fixatie (blijven steken in): orale behoeften blijven domineren, b.v. te
veel snoepen/verslaving
Je hebt te weinig of teveel bevrediging gehad.
Bij regressie (terugkeren naar een fase onder invloed van stress)
2. De anale fase (peutertijd)
Zone van lustbevrediging: anus/uitscheidingsorganen
Fase van de eigen wil
Fase van de zindelijkheidstraining
Koppigheidsfase
Fixatie bij het onderdrukken van de eigen wil ( koppigheid, dwarsliggen,
perfectionistisch etc.)
Bij te weinig begrenzing: moeite met discipline
3. De fallische fase ; oedipale fase (kleutertijd)
Zone van lustbevrediging: genitaliën
Ontdekking van het geslachtsverschil
Jongetje wil moeder voor zich alleen, vader moet ‘dood, is rivaal;
oedipuscomplex
Oplossing voor het jongetje; identificatie met vader; ontwikkeling van
mannelijk rolgedrag.
Bij fixatie: castratieangst
Meisje wil vader voor zich alleen, is jaloers op moeder
Is jaloers op mannen, zij mist iets!
Oplossing voor meisje: identificatie met moeder
Bij fixatie; penisnijd, jaloers op mannen
Wanneer deze fase niet goed verloopt: moeite met liefdesrelaties.
4. de latentiefase (schoolleeftijd)
emotionele rust; ontwikkeling van egofuncties!
5. De genitale fase (puberteit)
Toename seksuele energie; bij jongens ook agressieve energie, onder
invloed van hormonen
, Genitale zone belangrijkste bron van lustbevrediging
Zich richten op leeftijdgenoten van de andere sekse
Onbewust conflict – voorbeeld:
Es: haat, jaloezie → superego: verbiedt
Verboden impuls → CONFLICT → angst → Ego ontwikkelt:
AFWEERMECHANISMEN (verdringen van de verboden impuls)
Afweermechanismen:
Verdringing – wegstoppen van verboden impulsen, lukt niet altijd
Reactieformatie – het omgekeerde doen van wat je eigenlijk wil
Projectie – het toeschrijven van een onacceptabele impuls of slechte
eigenschap bij jezelf aan anderen.
Rationalisatie – goedpraten van het toegeven aan een verboden impuls
Sublimatie – slechte impulsen omvormen tot maatschappelijk
gewaardeerd gedrag, hier zijn beide partijen tevreden.
Ontkenning – de feitelijke zaken worden ontkend, omdat ze te
beangstigend zijn.
Isolering – een ontoelaatbaar of angstwekkend gevoel wordt afgesplitst
van de rest van de persoon. (vaak bij trauma’s)
Intellectualisering – moeilijke innerlijke zaken worden met veel
interessante en moeilijke woorden weggepraat. Woede of verdriet wordt
met ingewikkelde taal overdekt. Het wordt complex gemaakt.
Splitsing – bij splitsing wordt iets of iemand gezien als of helemaal goed
of helemaal slecht, of afwisselend als slecht en goed.
Verplaatsing – als je een impuls die gericht is op een bepaald iemand, uit
bij iemand anders, spreken we van verplaatsing.
Afweer en weerstand – afweer heeft te maken met het afweren van
gevoelens in de patiënt zelf. Weerstand is verzet tegen de therapie of
tegen een gesprek over je eigen functioneren. Het is naar buiten gericht.
Afweer is gericht op het weghouden van een innerlijk conflict.
Overdracht (cliënt) herhaling van verdrongen gevoelens of niet passend gedrag
uit het verleden, in hedendaagse situaties o.a. in de relatie met de hulpverlener.
Tegenoverdracht (hulpverlener) onjuiste reactie van de hulpverlener die
parallel loopt met de overdracht van de cliënt. De hulpverlener handelt onjuist op
grond van eigen problematiek.
Het objectrelatiemodel benadrukt het belang van de eerste relaties uit ons
leven. Het legt minder nadruk op innerlijke driften. Onder objectrelatie wordt een
innerlijke representatie verstaan van de relatie met een ander. Het object is dus
een persoon.
Binnen en buitenwereld door elkaar. Bij een baby loopt dit nogal door
elkaar. Het heeft weinig besef van het los staan van de moeder. Zelf en
objecten zijn nog niet gescheiden. Moeder is als ware een verlengstuk.
Eerste relaties. Heeft invloed op de manier waarop we later in het leven
staan.