Landelijke kennisbasistoets NL leerjaar 3
Domein 1: mondelinge taalvaardigheid
Luisterstrategieën:
1. Globaal luisteren; globaal volgen wat de spreken te vertellen heeft, gaat om het begrijpen van de
informatie
2. Intensief luisteren; probeert ook alle details van het gesprek op te nemen, volledig beeld krijgen
van wat de spreker verteld
3. Kritisch luisteren; probeert tijdens het luisteren een mening te volgen
4. Gericht luisteren; luister je als je geïnteresseerd ben in bepaalde aspecten van het verhaal
Luisterdoel:
- Intensief luisteren; iets te weten willen komen
- Globaal luisteren; een bepaald gevoel willen ondergaan
- Kritisch luisteren; zich een mening willen vormen
- Gericht luisteren; een bepaalde handeling willen uitvoeren
- Een spel mee willen spelen
Spreekstrategieën:
- Een manier van spreken die iemand hanteert om een bepaald spreekdoel te bereiken
- Stappen om te spreken:
o Oriënteren op de inhoud
o Doel en publiek bepalen
o Plannen
o Presenteren
o Reflecteren op doel en inhoud
- Spreekstrategieën:
o Een gespreksvorm hanteren -> verhaal, opsomming feiten, voorbeeld, etc.
o Presentatietechnieken hanteren
o Een bepaald taalgebruik hanteren -> eenvoudig dagelijkse taal, vakjargon
Spreekdoelen:
- Informeren; overbrengen van feitelijke informatie
- Amuseren; toehoorders vermaken, boeien, ontroeren
- Instrueren; iets uitleggen of verduidelijken
- Overtuigen; spreker overhalen een bepaald standpunt of bepaalde mening in te nemen
- Overige doelen:
o Emotioneren; bepaald gevoel losmaken of overbrengen
o Waarderen; wil zijn oordeel over iets geven
o Beschouwen; verschillende kanten van het probleem belichten
Gespreksoorten:
- Monoloog; een spreker is actief
- Dialoog; twee personen beurteling spreker en luisteraar
- Polyloog (groepsgesprek); meer dan twee personen beurteling spreker en luisteraar
Functies van taal:
1. Communicatieve of sociale taalfunctie
o De taal gebruiken als communicatiemiddel
o Interactie tussen mensen -> sociale taalfunctie:
Zelfhandhaving; jezelf beschermen en verdedigen
Zelfsturing; je handelen/planning ordenen met woorden
, Sturing van anderen; gedrag van anderen beïnvloeden
Structurering van het gesprek; gespreksverloop te beïnvloeden
2. Conceptualiserende of cognitieve functie
o De taal gebruik je als hulpmiddel om je gedachten te ordenen en greep te krijgen op de
werkelijkheid
o M.b.v. taal verwijs je naar betekenissen en concepten uit de werkelijkheid -> cognitieve
functie:
Rapporteren; zaken beschrijven
Redeneren; de zaken die je hebt beschreven chronologisch te ordenen, conclusie te
trekken, relatie leggen tussen middel- doel, relaties leggen tussen oorzaak-gevolg,
voorstel doen
Projecteren; verplaatsen in gedachten en gevoelens van iemand anders
3. Expressieve taalfunctie
o De taal gebruiken als expressiemiddel; te experimenten, gevoelens te uiten, om iets te
zeggen wat anderen nog niet hebben gezegd
3 taalverwerving theorieën:
1. Behavorisme:
Kinderen leren taal door imitatie
Ze bootsen de taal na die ze in hun omgeving horen
2. Creatieve constuctietheorie:
Ook wel genoemd ‘mentalisme’
Kinderen beschikken over een aangeboren taalvermogen waarmee ze op een creatieve manier
zinnen kunnen bouwen
3. Interactionele benadering:
Aangeboren taalvermogen, maar het taalaanbod van de omgeving en de interactie tussen
kind en de moedertaalspreker is belangrijk bij het leren van de taal.
Verschillende niveaus van taal:
Fonologisch niveau Uitspraak
Morfologisch niveau Opbouw van woorden
Syntactisch niveau Volgorde van woorden
Semantisch niveau Betekenis
Pragmatisch niveau Gebruik
Orthografisch niveau spelling
Eerstetaalverwerving -> twee perioden:
1. Prelinguale periode (0 -1 jr.)
o Periode voordat het kind zijn eerste woordjes spreekt
Oefenen met articulatie, klankstructuur, zinsmelodie, communicatie
Huilen, aanduiden van honger
o Vocaliseren; na 6 wk luistert een baby naar stemgeluiden en beginnen klanken te
produceren, in het begin alleen klinkers (vocalen)
o Vocaal spel; na 4 mnd begint een kind met het experimenteren van geluiden, produceren
nu medeklinkers en andere klanken die we niet in het NL kennen
o Brabbelen; na 7 mnd begint de brabbelfase, klankgroepen die al een beetje klinken als
taal
2. Lingual periode:
o Vroeglinguale periode (1 – 2,5 jr.)
Brabbelen gaat langzaam naar betekenisvol taalgebruik
Woorden worden nog niet correct uitgesproken -> spraakmechanisme nog niet
zover ontwikkeld
- Meestal laatste klank weg (poes -> poe)
, Eenwoordzin; ontkennende zinnen maken, woord + ‘nee’ schudden
- 1e levensjaar
Tweewoordzin; kinderen beginnen woorden te combineren (2 woorden)
- Kan relaties aangeven
- Regels voor de volgorde van woorden gaan een rol spelen ->
grammatica
Meervoudzin; kinderen maken zinnen met meerdere woorden (2 of meer woorden)
- Groei v/d woordenschat
o Differentatiefase (2,5 – 5 jr.)
Taalontwikkeling wordt gedifferentieerder en ontwikkelt op alle niveaus van taal
Kleuterleeftijd
Ruimtelijk inzicht, tijdsbesef, gedetailleerd waarnemen
Belevingswereld verbreed -> grote woordenschat
o Voltooiingfase (5 -9 jr.)
Alle processen uit vorige fases worden verder uitgewerkt
Eind van deze fase beheerst het kind de taal als een volwassene, in hoeverre dit kan
Tweedetaalverwerving:
- Simultane tweetaligheid; iemand die twee talen min of meer tegelijk leert
o Twee talen leren voor hun 3e levensjaar
- Successieve tweetaligheid; kinderen leren een tweede taal nadat ze een eerste taal hebben
geleerd
o Voor hun 3e levensjaar
- Interferentiefouten; het leren van de tweede taal wordt beïnvloedt door het leren van de eerste
taal, dit zijn fouten die voortkomen uit de verschillen tussen de talen.
Communicatieve competentie:
1. Grammaticale competentie
- Taalgebruiker beschikt over fonologisch en syntactische vaardigheden en over een adequate
woordenschat.
2. Tekstuele competentie
- Taalgebruiker is vaardig in het doorzien van de opbouw van teksten en kan teksten
structureren.
3. Strategische competentie
- Taalgebruiker kan strategieën hanteren om communicatieve doelen te bereiken
4. Functionele competentie
- Taalgebruiker kan taalgebruik aanpassen aan specifieke contexten.
Domein 2: woordenschat
Productieve woordenschat: woorden die kinderen gebruiken om met anderen te communiceren.
- Ook wel genoemd: actieve woordenschat
- Verschilt per kind -> er zijn streeflijsten met woorden die kinderen moeten kennen
Receptieve woordenschat: woorden die kinderen begrijpen of waarvan ze de betekenis herkennen.
- Ook wel genoemd: passieve woordenschat
Woordleerstrategieën: werkwijzen die bewust worden ingezet om achter de betekenis van een woorden
te komen.
1. Analyseren van het woord
- Het woord analyseren in bekende woorden -> vuilnisophaaldienst (vuilnis en ophaaldienst)
2. Gebruikmaken van de (verbale en non-verbale) context
- Het woord afleiden uit de tekst (context)
3. Gebruikmaken van een bron in de eerste of de tweede taal
Domein 1: mondelinge taalvaardigheid
Luisterstrategieën:
1. Globaal luisteren; globaal volgen wat de spreken te vertellen heeft, gaat om het begrijpen van de
informatie
2. Intensief luisteren; probeert ook alle details van het gesprek op te nemen, volledig beeld krijgen
van wat de spreker verteld
3. Kritisch luisteren; probeert tijdens het luisteren een mening te volgen
4. Gericht luisteren; luister je als je geïnteresseerd ben in bepaalde aspecten van het verhaal
Luisterdoel:
- Intensief luisteren; iets te weten willen komen
- Globaal luisteren; een bepaald gevoel willen ondergaan
- Kritisch luisteren; zich een mening willen vormen
- Gericht luisteren; een bepaalde handeling willen uitvoeren
- Een spel mee willen spelen
Spreekstrategieën:
- Een manier van spreken die iemand hanteert om een bepaald spreekdoel te bereiken
- Stappen om te spreken:
o Oriënteren op de inhoud
o Doel en publiek bepalen
o Plannen
o Presenteren
o Reflecteren op doel en inhoud
- Spreekstrategieën:
o Een gespreksvorm hanteren -> verhaal, opsomming feiten, voorbeeld, etc.
o Presentatietechnieken hanteren
o Een bepaald taalgebruik hanteren -> eenvoudig dagelijkse taal, vakjargon
Spreekdoelen:
- Informeren; overbrengen van feitelijke informatie
- Amuseren; toehoorders vermaken, boeien, ontroeren
- Instrueren; iets uitleggen of verduidelijken
- Overtuigen; spreker overhalen een bepaald standpunt of bepaalde mening in te nemen
- Overige doelen:
o Emotioneren; bepaald gevoel losmaken of overbrengen
o Waarderen; wil zijn oordeel over iets geven
o Beschouwen; verschillende kanten van het probleem belichten
Gespreksoorten:
- Monoloog; een spreker is actief
- Dialoog; twee personen beurteling spreker en luisteraar
- Polyloog (groepsgesprek); meer dan twee personen beurteling spreker en luisteraar
Functies van taal:
1. Communicatieve of sociale taalfunctie
o De taal gebruiken als communicatiemiddel
o Interactie tussen mensen -> sociale taalfunctie:
Zelfhandhaving; jezelf beschermen en verdedigen
Zelfsturing; je handelen/planning ordenen met woorden
, Sturing van anderen; gedrag van anderen beïnvloeden
Structurering van het gesprek; gespreksverloop te beïnvloeden
2. Conceptualiserende of cognitieve functie
o De taal gebruik je als hulpmiddel om je gedachten te ordenen en greep te krijgen op de
werkelijkheid
o M.b.v. taal verwijs je naar betekenissen en concepten uit de werkelijkheid -> cognitieve
functie:
Rapporteren; zaken beschrijven
Redeneren; de zaken die je hebt beschreven chronologisch te ordenen, conclusie te
trekken, relatie leggen tussen middel- doel, relaties leggen tussen oorzaak-gevolg,
voorstel doen
Projecteren; verplaatsen in gedachten en gevoelens van iemand anders
3. Expressieve taalfunctie
o De taal gebruiken als expressiemiddel; te experimenten, gevoelens te uiten, om iets te
zeggen wat anderen nog niet hebben gezegd
3 taalverwerving theorieën:
1. Behavorisme:
Kinderen leren taal door imitatie
Ze bootsen de taal na die ze in hun omgeving horen
2. Creatieve constuctietheorie:
Ook wel genoemd ‘mentalisme’
Kinderen beschikken over een aangeboren taalvermogen waarmee ze op een creatieve manier
zinnen kunnen bouwen
3. Interactionele benadering:
Aangeboren taalvermogen, maar het taalaanbod van de omgeving en de interactie tussen
kind en de moedertaalspreker is belangrijk bij het leren van de taal.
Verschillende niveaus van taal:
Fonologisch niveau Uitspraak
Morfologisch niveau Opbouw van woorden
Syntactisch niveau Volgorde van woorden
Semantisch niveau Betekenis
Pragmatisch niveau Gebruik
Orthografisch niveau spelling
Eerstetaalverwerving -> twee perioden:
1. Prelinguale periode (0 -1 jr.)
o Periode voordat het kind zijn eerste woordjes spreekt
Oefenen met articulatie, klankstructuur, zinsmelodie, communicatie
Huilen, aanduiden van honger
o Vocaliseren; na 6 wk luistert een baby naar stemgeluiden en beginnen klanken te
produceren, in het begin alleen klinkers (vocalen)
o Vocaal spel; na 4 mnd begint een kind met het experimenteren van geluiden, produceren
nu medeklinkers en andere klanken die we niet in het NL kennen
o Brabbelen; na 7 mnd begint de brabbelfase, klankgroepen die al een beetje klinken als
taal
2. Lingual periode:
o Vroeglinguale periode (1 – 2,5 jr.)
Brabbelen gaat langzaam naar betekenisvol taalgebruik
Woorden worden nog niet correct uitgesproken -> spraakmechanisme nog niet
zover ontwikkeld
- Meestal laatste klank weg (poes -> poe)
, Eenwoordzin; ontkennende zinnen maken, woord + ‘nee’ schudden
- 1e levensjaar
Tweewoordzin; kinderen beginnen woorden te combineren (2 woorden)
- Kan relaties aangeven
- Regels voor de volgorde van woorden gaan een rol spelen ->
grammatica
Meervoudzin; kinderen maken zinnen met meerdere woorden (2 of meer woorden)
- Groei v/d woordenschat
o Differentatiefase (2,5 – 5 jr.)
Taalontwikkeling wordt gedifferentieerder en ontwikkelt op alle niveaus van taal
Kleuterleeftijd
Ruimtelijk inzicht, tijdsbesef, gedetailleerd waarnemen
Belevingswereld verbreed -> grote woordenschat
o Voltooiingfase (5 -9 jr.)
Alle processen uit vorige fases worden verder uitgewerkt
Eind van deze fase beheerst het kind de taal als een volwassene, in hoeverre dit kan
Tweedetaalverwerving:
- Simultane tweetaligheid; iemand die twee talen min of meer tegelijk leert
o Twee talen leren voor hun 3e levensjaar
- Successieve tweetaligheid; kinderen leren een tweede taal nadat ze een eerste taal hebben
geleerd
o Voor hun 3e levensjaar
- Interferentiefouten; het leren van de tweede taal wordt beïnvloedt door het leren van de eerste
taal, dit zijn fouten die voortkomen uit de verschillen tussen de talen.
Communicatieve competentie:
1. Grammaticale competentie
- Taalgebruiker beschikt over fonologisch en syntactische vaardigheden en over een adequate
woordenschat.
2. Tekstuele competentie
- Taalgebruiker is vaardig in het doorzien van de opbouw van teksten en kan teksten
structureren.
3. Strategische competentie
- Taalgebruiker kan strategieën hanteren om communicatieve doelen te bereiken
4. Functionele competentie
- Taalgebruiker kan taalgebruik aanpassen aan specifieke contexten.
Domein 2: woordenschat
Productieve woordenschat: woorden die kinderen gebruiken om met anderen te communiceren.
- Ook wel genoemd: actieve woordenschat
- Verschilt per kind -> er zijn streeflijsten met woorden die kinderen moeten kennen
Receptieve woordenschat: woorden die kinderen begrijpen of waarvan ze de betekenis herkennen.
- Ook wel genoemd: passieve woordenschat
Woordleerstrategieën: werkwijzen die bewust worden ingezet om achter de betekenis van een woorden
te komen.
1. Analyseren van het woord
- Het woord analyseren in bekende woorden -> vuilnisophaaldienst (vuilnis en ophaaldienst)
2. Gebruikmaken van de (verbale en non-verbale) context
- Het woord afleiden uit de tekst (context)
3. Gebruikmaken van een bron in de eerste of de tweede taal