Week 1 – eetstoornissen
Vandereycken, W., et al. (2008; 2e druk). Handboek eetstoornissen. (H1)
- Typische eetstoornissen: sterke preoccupatie met lichaamsomvang en gewicht + gestoord eetpatroon
o Anorexia nervosa
Intense angst gewicht toe te nemen of dik te worden, terwijl er sprake is van ondergewicht. Foutieve
subjectieve lichaamsbeleving.
§ Beperkend/restrictief subtype à meer obsessioneel
§ Eetbuien-purgerend subtype à meer impulsief + meer overeenkomsten met BN dan met
restrictieve AN
o Boulimia nervosa
Herhaalde episodes van eetbuien. Beheersing over eten tijdens episode kwijt. Compensatoir gedrag.
§ Purgerend subtype à ernstigst
§ Niet-purgerend subtype à gemiddeld ernstig
- Atypische eetstoornissen: voldoen niet geheel aan de diagnostische kenmerken van AN of BN, maar klinisch
beeld hoeft niet minder ernstig te zijn
o Eetbuistoornis
Eetbuien + gevoel beheersing over eten kwijt te zijn + vol proppen + spanning over
eetbuien/schuldgevoelens + geen compensatoir gedrag of preoccupatie lichaamsvorm/gewicht
- Overgewicht (BMI > 25) an sich geen gezondheidsrisico, maar stijging van vetmassa wel
- Grootste risicoleeftijd voor het ontstaan van eetstoornissen is tussen 14-25 jaar
Treasure, J., et al. (2010). Eating disorders.
- 50% valt in de eetstoornis-NAO groep
- Transitie van ernstige restrictie naar eetbuien komt vaak voor, maar andersom niet zo vaak
- Steeds meer interesse in transdiagnostische aanpak voor eetstoornissen
- Veel comorbiditeit à ontwikkelingsstoornissen (ADHD en autisme), OCD, angststoornissen, borderline en
middelenmisbruik (bij BN en eetbuistoornis)
- Eetstoornissen vaak bij jonge mensen + vrouwen
- Life-timeprevalentie: 0,6% AN / 1% BN / 3 % eetbuistoornis
- Eetstoornissen waarschijnlijk biologisch
- Pathogenese
o Sekseverschillen minst in eetbuistoornissen en prepuberale AN
o Erfelijkheid 50-83%
o Geassocieerde gedragstraits zoals compulsiviteit
o Slechte voeding heeft effect op de hersenfuncties à verhongering zorgt voor het krimpen van het
brein + veel gedrag en psychosociale verstoringen
o Controle van eetlust
§ Homeostratische systeem (hersenstam & hypothalamus): honger en verzadiging
§ Drive systeem (mesolimbische cortex & striatum): beloning en motivatie
§ Zelf-regulatie systeem: eetlust
Ø Abnormale veranderingen in bovenstaande systemen spelen een rol in het risico en behoudt
van eetstoornissen
o Afwijkingen in informatieverwerking
§ Aandachtsbias ten opzichte van eten en lichaamsvorm
§ Problemen in besluitvorming, verminderde flexibiliteit, voorkeur voor detail, problemen in
sociale cognitie en disfunctionele emotionele regelgeving
Ø Zorgen voor behoudt van eetstoornis gedrag
o Omgeving: stress bij zwangerschap enz.
o Interactie omgeving/biologie: ontwikkelingsveranderingen in de puberteit, stressvolle gebeurtenissen
en uitdagingen kunnen eetstoornissen triggeren.
- Prognose:
o Kan op herstel van AN < wanneer de ziekte langer bestaat
o Kans op herstel van BN > naarmate de ziekte langer voortduurt
o AN: jonge leeftijd + korte duur = goede uitkomsten / comorbiditeit = slechte uitkomsten
1
, Blok 3.5 – Kernpunten alle artikelen/boeken
Stice, E. (2002). Risk and maintenance factors for eating pathology: A meta-analytic review.
- Lichaamsmassa:
o Risicofactor voor waargenomen druk om dun te zijn, lichaamsontevredenheid en diëten
o Geen risicofactor voor negatief affect en eetpathologie of een behoudende factor voor eetpathologie
- Socioculturele druk om dun te zijn:
o Causale risicofactor voor lichaamsontevredenheid, diëten, negatief affect en boulimische pathologie
o Negatieve effecten hiervan komen vaker voor bij at-risk individuen
o Geen behoudende factor voor boulimische pathologie
- Modeling:
o Geen risicofactor voor lichaamsontevredenheid of diëten
o Redelijk bewijs dat het een risicofactor is voor boulimische pathologie
- Internaliseren van het dun-ideaal
o Causale risicofactor voor lichaamsontevredenheid, diëten, negatief affect, boulimische pathologie
o Behoudende factor voor boulimische pathologie
- Lichaamsontevredenheid
o Risicofactor voor diëten, negatief affect en eetpathologie
o Behoudende factor voor boulimische pathologie
o Meest consistente en robuuste risico en behoudende factor voor eetpathologie!
- Diëten
o Diëten is geen risicofactor voor eetpathologie
- Negatief affect
o Risicofactor voor eetpathologie en causale risicofactor voor lichaamsontevredenheid en calorische
inname
o Causale behoudende factor voor eetbuien (maar niet calorische inname) onder mensen met een
eetstoornis
- Perfectionisme
o Risicofactor voor boulimische pathologie
o Behoudende factor voor eetpathologie
- Vroege ongesteldheid
o Weinig ondersteuning dat dit een risicofactor is voor lichaamsontevredenheid, diëten, negatief affect
en eetpathologie
- Impulisiviteit
o Geen voorspeller van toename is boulimische symptomen of eetpathologie
o Meer onderzoek nodig
- Niet-gevestigde risicofactoren
o Seksueel misbruik à nog niet genoeg bewijs dat dit een risicofactor is voor eetpathologie
o Nog geen bewijs voor stress, controleproblemen, dysfunctionele familie systemen en tekorten in
ouderlijke affectie als risicofactoren voor eetpathologie
• Dual pathway model boulimia: stelt dat de socioculturele druk om dun te zijn zorgt voor ontevredenheid met
het eigen lichaamà internalisatie van het dun ideaal draagt bij aan lichaamsontevredenheid omdat dit ideaal
moeilijk te bereiken is. Ontevredenheid met eigen lichaam bevordert diëten en negatief affect à zorgt voor
een toename in risico op boulimische pathologie.
• Fairburn’s (1997) cognitive model of boulimia: overwaardering van het uiterlijk is van primair belang voor het
behoud van eetbuien, het kernkenmerk van boulimia nervosa. Mensen die hun lichaamsvorm beschouwen als
een van de belangrijkste aspecten van zelfevaluatie en die geloven dat het bereiken van dunheid sociale en
psychologische voordelen met zich mee zal brengen houden zich bezig met ernstige diëten à zorgt voor risico
op eetbuien. Diëten medieert de relatie tussen uiterlijke overwaardering en eetbuien.
Cassin, S., et al. (2005). Personality and eating disorders: A decade in review.
- AN en BN gekarakteriseerd door perfectionisme, obsessieve compulsiviteit, narcisme, sociotropie en
autonomie
- Impulsiviteit en sensatie-zoeken meer typisch voor stoornissen met eetbuien.
- ED symptomatologie is gecorreleerd met hoog neuroticisme en openess to experience en lage
consciëntieusheid en agreeableness.
- AN en BN hoge stress reactiviteit en laag welzijn
- Eetbuien/purgeren (BN en ANB) à lage self-directedness
2
, Blok 3.5 – Kernpunten alle artikelen/boeken
- Alle EDs à hoge harm avoidance, lage self-directedness en lage cooperativeness (cluster C: dependent,
avoidant en obsessief compulsief)
- ANR à hoge persistentie
• Avoidant PD à komt het vaakst voor in alle EDs
• Obsessieve-compulsieve PD à vaakst bij ANR en BED, en redelijk vaan bij BN
• Dependent PD à komt vaak voor bij ANR en BN
• Borderline PD à komt het vaakst voor bij mensen met eetbuien
Strother, E., et al. (2012). Eating Disorders in Men: Underdiagnosed, Undertreated, and Misunderstood.
Issues voor mannen
- Gewicht geschiedenis
o Mannen vaak mild/matig obees in hun leven voordat de een eetstoornis ontwikkelen à vooral als het
in de kindertijd was
o Compensatoir gedrag, zoals sporten, vaker bij mannen
o Mannen meer gemotiveerd om gewicht te verliezen, of aan te komen, om de optimale sportprestatie
te krijgen
- Seksueel misbruik en andere trauma’s
o Door onderrapportage lijken er minder mannen ooit seksueel misbruikt te zijn
- Seksuele oriëntatie
o Meer eetstoornissen bij homoseksuele mannen dan bij heteroseksuele mannen
o Meer heteroseksuele vrouwen eetstoornis dan homoseksuele mannen
o Verward zijn over seksuele oriëntatie à sommigen vinden comfort in gewichtsverlies
- Depressie en schaamte
o Mannen met eetstoornissen ervaren vaak een depressie of schaamte
- Sporten en lichaamsbeeld
o Mannen vaak overmatig sporten à verslavend: anorexia athleticisme (muscle dysmorphia)
o Mannen gebruiken steroiden en groeihormonen à veel bij muscle dysmorphia
- Comorbide chemische afhankelijkheid
o Mensen met eetstoornissen vaker middelenmisbruik à vaak wordt enkel het middelenmisbruik
behandelt en niet de eetstoornis
- Media druk
o Mannen: meer depressie en toegenomen lichaamsontevredenheid ten opzichte van gespierdheid na
het kijken van een reclame met mannen met het ideale lichaam
Jansen, A., et al. 2005). Selective visual attention for ugly and beautiful body parts in eating disorders.
Eetsymptomatische deelnemers
- Duur van kijken
o Eigen lichaam: kijken minder lang naar de mooie delen en langer naar de lelijke
o Ander lichaam: kijken langer naar de mooie dan naar de lelijke lichaamsdelen
- Fixatie op lichaamsdeel
o Eigen lichaam: fixeren niet meer op de lelijke lichaamsdelen dan de controles
o Ander lichaam: fixeren meer op de mooie delen van het lichaam
- Stemming
o Werd minder nadat de plaatjes werden laten zien, maar verminderde niet verder toen de lichamen
beoordeelt moesten worden
Normale controles
- Duur van kijken
o Eigen lichaam: kijken even lang naar de mooie en lelijke delen van hun lichaam
o Ander lichaam: kijken minder lang naar de mooie delen en langer naar de lelijke
- Fixatie op lichaamsdeel
o Eigen lichaam: fixeren ongeveer evenveel op de lelijke lichaamsdelen als de ander groep
o Ander lichaam: geen hoofdeffect en marginaal significant interactie-effect à trend: meer fixatie op
lelijke lichaamsdelen en minder op de mooie
- Stemming
o Bleef gelijk tijdens alle drie de meetmomenten
3
, Blok 3.5 – Kernpunten alle artikelen/boeken
Pupilgrootte
- Bij beiden groepen werd de pupil groter wanneer er werd gekeken naar het eigen lichaam.
- Geen verschil tussen de twee groepen wanneer er naar allebei de lichamen werd gekeken
- Beiden groepen laten ongeveer dezelfde pupilgrootte zien
Oogknipperen
- De ogen van de eet symptomatische deelnemers minder knipperen wanneer ze keken naar hun eigen lichaam,
terwijl de controle deelnemers iets meer knipperde toen ze keken naar hun eigen lichaam
Vandereycken, W., et al. (2008; 2e druk). Handboek eetstoornissen. (H12)
- Zowel bij AN als BN sprake van problemen met lichaamsbeleving
- Kernproblemen AN en andere eetstoornissen:
o Verstoorde subjectieve ervaring en beleving (AN)
o Geen gevoel van eigenwaarde en negatief zelfbeeld
- Bewegingsdrang à komt veel voor bij AN (75%) en BN (54%)
o Vrijwillige verhoging van lichamelijke activiteit door preoccupatie met gewicht en lichaamsfiguur.
o Onvrijwillige drang om te (doelloos) bewegen.
o Onvoldoende gevoel van vermoeidheid.
o Een obsessieve-compulsieve manier van bewegen.
Peebles, R., et al. (2006). How Do Children with Eating Disorders Differ from Adolescents with Eating Disorders at Initial
Evaluation?
- Jongere eetstoornis patiënten <13jr (vs. oudere patiënten 13-19jr)
o Vaker man
o Minder kans om purgeren of eetbui gedrag te rapporteren
o Wegen minder in percentage ideaal lichaamsgewicht
o Kortere duur van de ziekte
o Sneller gewichtsverlies
- Geen verschillen gevonden tussen de twee groepen
o AN-diagnose
o Gebruik van psychotrope medicijnen
o Algemene psychiatrische diagnose
o Percentage lichaamsgewicht verloren voor presentatie
o Duur van verblijf bij opname
Stice, E., et al. (2013). Prevalence, incidence, impairment, and course of the proposed DSM-5 eating disorder diagnoses in
an 8-year prospective community study of young women.
Voorgesteld veranderingen diagnose eetstoornis bij DSM-5
- De frequentie voor eetbuien en compensatoir gedrag voor BN gaat van 2x per week naar 1x per week
- De frequentie voor eetbuien bij eetbuistoornis gaat van 2x per week naar 1x per week en de duur van
eetbuien gaat van 6 naar 3 maanden
- Eetbuistoornis wordt als formele eetstoornis erkent op basis van bewijs van de validiteit en klinische
bruikbaarheid van deze diagnose
- Amenorroe wordt als diagnostisch symptoom bij AN weggehaald
- Nieuwe condities onder de eetstoornis-NAO categorie, waarbij atypische AN, subthreshold BN, subthreshold
eetbuistoornis en purging disorder (PD) in zitten.
- Volgens DSM-5 criteria hogere prevalentie en incidentie bij AN, BN en eetbuistoornis à komt omdat de
criteria zo is aangepast om de groep eetstoornis-NAO kleiner te maken
- Met de nieuwe aanpassingen nog steeds meer beperkingen bij mensen met een eetstoornis dan eetstoornis-
vrije jongeren in termen van functioneren, emotionele distress, suïcidaliteit, geestelijke
gezondheidszorgbehandeling en ongezond lichaamsgewicht)
• Piek leeftijd voor aanvang was tussen 19-20 voor atypische/threshold AN, tussen 16-20 voor
subthreshold/threshold BN, en tussen 18-20 voor subthreshold/threshold eetbuistoornis, PD en eetstoornis-
NAO
- AN episode duurt het langst, dan eetbuistoornis en dan BN
- Merendeel van de gediagnosticeerde lieten remissie binnen 1 jaar zien
- Grootste cross-over tussen eetbuistoornis en BN, laagste bij AN
4
, Blok 3.5 – Kernpunten alle artikelen/boeken
- Progressie
o Atypische ANàAN = 0%
o Subthreshold BNàBN = 32%
o Subthreshold eetbuistoornisàeetbuistoornis = 28%
Jansen, A., et al. (2009). Waarom obesitas in de GGZ behandeld moet worden.
- Obesitas = BMI > 30
- Redenen om obesitas in de GGZ te behandelen
o Veel obesen lijden:
§ Vaker depressief, vooral de hoog negatief affect groep die een groot risico loopt op zorgen,
depressie en overeten
o Obesitas is een eetprobleem:
§ Perceptieprobleem: ongemerkt meer eten dan nodig + gezond eetpatroon zien ze als diëten
§ Vaak niet bewust van overeten
o Overeten is (deels) aangeleerd:
§ Cue reactiviteit: aangeleerde respons op stimuli die systematisch met voedselinname
geassocieerd worden (respons = trek/honger)
• Cue reactiviteit bereidt voor op eten à moeilijk om niet te eten (inhiberen)
• Elke stimuli kan een signaal voor eetgedrag worden
§ Overeten is gedeeltelijk aangeleerd en cue exposure met responspreventie effectief om de
koppeling tussen cues en overeten te doorbreken
o Obesen zijn impulsief: ze hebben geen ‘rem’
§ Mensen met obesitas impulsiever dan anderen
§ Minder goed in het stoppen van responsen (inhiberen)
o Obesen zijn impulsief: ze zijn extra gevoelig voor beloning
§ Dikke kinderen slecht in het uitstellen van grote beloningen, vaker kiezen voor de snel
verkrijgbare maar kleinere beloning
§ Dikke kinderen gevoelig voor beloning en tamelijk ongevoelig voor straf
§ Belonende waarde van hoogcalorisch vet voedsel is aanzienlijk groter voor obesen.
o Obesen ervaren vaak controleverlies
§ Bij verleiding à geen beheersing/controle
§ Hoeveelheid zelfcontrole wordt vergeleken met een oplaadbare batterij à batterij raakt leeg
bij bv. diëten omdat de zelfcontrole heel de tijd hoog is.
o Obese genen maken het er niet makkelijker op
§ 67% van de variatie in lichaamsvet is genetisch bepaald à aanleg is niet
hoofdverantwoordelijk voor het uitdijen
§ 40% is gerelateerd aan gedrag (regulatie van gedrag) à wat wordt overgeërfd is niet een
stofwisselingsstoornis, maar een reguleringsstoornis
o CT helpt
§ CGT kan helpen bij het leren veranderen van gedrag en bij de instandhouding ervan
§ Anders leren denken leidt tot behoud van het gewichtsverlies
Davis, C., et al. (2009). Compulsive Overeating as an Addiction Disorder. A Review of Theory and Evidence.
Eetbuistoornis (EBS) kan volgens de auteurs gezien worden als een verslaving
Kenmerken van een verslaving
- Toenemend compulsief gedrag en misbruik van het verslavende middel terwijl er bewustzijn is van de slechte
gezondheidsuitkomsten
o Ook bij EBS hà herhaaldelijk overeten (chronisch/stabiel)
- Tolerantie en onthoudingsverschijnselen
o Ook bij EBS à steeds meer eten tijdens elke eetbui en vooral eten met suiker kan zorgen voor
onthoudingsverschijnselen wanneer dit uit het dieet wordt gehaald
- Hunkeren en terugval
o Ook bij EBS à hunkeren hoog + voorkeur voor eten met suiker en vet
Neurobiologische parallellen
- Zelfde hersenbeloning paden geactiveerd bij eten en beloning van drugs
5