- de tijd van jagers en boeren -3000 v.Chr
- de tijd van Grieken en romeinen 3000 v.Chr. - 500 n.Chr
- de tijd van monniken en ridders 500 - 1000
- de tijd van steden en staten 1000 - 1500
- de tijd van ontdekkers en hervormers 1500 - 1600
- de tijd van regenten en vorsten 1600 - 1700
Hoofdstuk 1: De tijd van jagers en boeren
De jagerssamenleving: 100.000-5000 v.Chr.
In de jagerssamenleving verplaatsten de jagers zich veelal achter de kudden aan. Zij leefden in
stamverband in jagerskampen.
In de boerensamenleving voorzagen de boeren in hun levensonderhoud door landbouw(akkerbouw en
veeteelt), aangevuld met jacht, visserij en het verzamelen van vruchten. Er ontstond langzamerhand
een zekere mate van arbeidsverdeling en sociale structuur. Belangrijk was het gebruik van aardewerk
en later ook brons en ijzer.
Tijdens de jagerssamenleving waren de mensen voor hun voedsel volledig aangewezen op
mammoeten, bizons, paarden en rendieren. Ze jaagden en verzamelden zoveel als ze nodig hadden.
Als er niet te vinden was vetrokken ze naar een ander gebied. De jagers maakten alles zelf, omdat de
jagers steen gebruikten noemen we deze tijd de steentijd.
Een jagersgroep bestond uit enkele gezinnen, aan het hoofd stond een krachtige leider, de beste
jager uit de „grootfamillie‟. Behendigheid bij de jacht of kennis van geneeskrachtige kruiden leverden
ook een belangrijke plaats op in de groep. Er bestond geen arm en rijk, alles werd verdeeld.
De vrouw had de taak om de kinderen op te voeden en voedsel te verzamelen. De mannen legden
vuur aan, maakten gereedschap en jaagden. De jagers gebruikten pijl en boog om het rendier zo dicht
mogelijk te benaderen, pas als ze heel dichtbij waren gooiden ze de harpoenen en schoten ze vele
pijlen af. Ze groeven ook wel valkuilen.
Wandkust was een vorm van menselijke creativiteit, gekleurd materiaal werd door een hol bot op de
wand geblazen. Men beeldde voornamelijk mensen en dieren af. Ook zijn er handafdrukken
gevonden, men kende nog geen schrift.
De oudste jagersmuziek was vocaal, het waren kreten en uitroepen. De eerste instrumenten waren
vermoedelijk raspen van bot of hout, slaginstrumenten, bestaand uit boomstam, met bespannen
heupbot. En natuurlijk klappen en stampen. Na de jacht vertelden jagers over hun grootste daden en
over helden uit het verleden.
Rendierjagers waren nomaden die op het gehele Europese continent leefden. De natuur gaf de
richting van de jagers aan. De rendierjagers waren echte „landlopers‟, ze volgden de kuddes in de
winter naar het zuiden en in de zomer weer richting het ijs. Hun gebruiksvoorwerpen namen ze mee,
door bevroren vissen onder de slee te binden werd het karwei wat lichter.
Alles van een rendier gebruikten de jagers:
- vlees: eten
- botten: gebruiksvoorwerpen
- gewei: naalden en pijlpunten
- huid: kleding en tenten
- pezen/darmen: in gedroogde vorm voor touw/draad
De tent bestond uit stokken,rendierhuiden, vastgezet met stenen en botten. In een tent was plaats
voor 10 personen.
Omstreek 10.000 jaar geleden ontstonden er loofbossen, moerassen en bennen. Een deel van de
jagers leefde in het bos, de bosjagers. Naast voedsel uit het bos jaagden ze op
edelherten,elanden,varkens etc. Ze leefden in een koepelvormige hut bedekt met riet. Deze hut stond
in een kamp op een droge plek. ze trokken van hut naar hut, zoekend naar een plek weer veel te
jagen/verzamelen was. Ze vingen veel snoek en zalm.
De centrale plek was de vuurplaats, hier konden vrouwen op koken. Vuur beschermde ook tegen
wilde dieren. Muziek met dans en gebarenspel was onderdeel van het jachtritueel om de goden en
, geesten gunstig te stemmen. Boven de hut hingen ze een schedel van een dier om te beschermen
tegen boze geesten.
De bosjagers begroeven hun doden en gaven ze stenen werktuigen, geschenken en sieraden mee in
het graf. De doden waren ingesmeerd met een laag rode oker.
Vanaf 5000 v.Chr. trokken verschillende bekervolkeren(genoemd naar de vorm van hun aardewerk)
de lage landen binnen. Dit waren boeren, en kwamen uit het oosten. De jagers die hier leefden bleven
jagen of werden boer.
De boeren legden hun kleine akkers aan op de vruchtbare grond en woonden in grote, stevige
boerderijen. Het middendeel was het woon-werkgedeelte, het zuidoostelijk deel was het opslagdeel en
het noordwestelijke deel werd geslapen. Door deze ligging scheen de zon langer op de osplag, en
bleef de voorraad droger. Er stonden zo‟n 5 tot 7 boerderijen bij elkaar (50 inwoners).
De boeren bedreven akkerbouw. Akkers: kleine open stukken in het bos. Met een ploeg scheurden
ze de bodem open en zaaiden graansoorten (erwten, vlas, tarwe etc). ze hadden tuintjes met
kruiden,bonen,andijvie enzovoort. De voorraat sloegen ze op in een klein hutje met verhoogde
vloer(ivm muizen en ratten).
De boeren bakten hun eigen brood. In de leefkring aten ze het brood gezamenlijk op. Jagers hadden
een werkdag van 4 uur, maar boeren moesten de hele dag op het land ploeteren.
Ook werd er aan veeteelt gedaan. De veestapel bestond uit:
Schapen:wol
Varkens:vlees
Kippen: vlees/eieren
Koeien: melk/vlees/huid voor leer
De gemeenschap was hecht, iedereen moest zijn „steentje ‟bijdragen. In het midden van het dorp
bevond zich de leefkring met vuur, daar werd gegeten/klusjes gedaan/om hulp gevraagd of gewoon
een praatje gemaakt. Bij boeren begon het verschil tussen arm en rijk, en ontstond ook de eerste
vormen van criminaliteit.
De leiding was in de handen van een dorpshoofd: de rijkste en sterkte boer, samen met een raad van
oudsten. De rolverdeling tussen man en vrouw veranderen. Vrouwen bleven bij de boerderij en
werkten in de akkertjes, zorgden voor de kleding en de voeding. De mannen ploegden, gingen op
jacht, bouwden boerderijen en hielden het vee in de gaten.
Omstreek 3500 v.Chr. trok uit het oosten het trechterbekervolk(hunebedbouwers) ons land binnen. Zij
begroeven hun doden in kuilen/graven die slecht door enkele stenen afgedekt waren. Na verloop van
tijd begonnen ze hunebedden te bouwen. Het hunebed bestond uit een dubbele rij draagstenen,
dekstenen voor het dak en twee sluitstenen aan het uiteinde. De keien zijn door middel van hefbomen
op houten rollers en veel mankracht naar de plaats van bestemming gesleept, er zijn ook
grafschenken aangetroffen.(gelovig).
De Keltische beschaving (800 tot 100 v.Chr.)
De Kelten waren boeren, maar ook handelaren, ambachtslieden en krijgers. Ze veroverden grote
stukken land en handelden al met Grieken, Romeinen en chinezen, soms betaalden ze in ijzeren
staven maar meestal deden ze aan ruilhandel.
De Kelten maakten prachtige voorwerpen van brons en ijzer. IJzer was minder kostbaar omdat het
meer voorkwam, iedere boer kon een ijzeren gereedschap kopen.
De Kelten bouwden dorpen, wegen, bruggen er waren meesters in het bewerken van ijzer/goud en
zilver. Ze dankten hun welvaart aan de mijnbouw en smeedkunst. De Kelten groeven zoutmijnen, heel
slim, want zout was onmisbaar voor het bewaren van voedsel.
De Kelten waren vechters, ze vochten met een schild, helm en werpspeer. Ze probeerden de vijand te
overdonderen door hem te bespotten. Daarna vielen ze de vijand aan met speren en zwaarden terwijl
ze strijdkreten uitkraamden. Rond 50 v. Chr. Werden de Kelten verslagen door de Romeinen.
De Keltische cultuur spreekt nog steeds tot de verbeelding, ze waren namelijk dol op feesten, goed
eten en drinken. Het belangrijkste feest van Samhain, het Keltisch Nieuwjaar(1 november).
De Kelten vereerder natuurgoden, de heiligste boom was de eik. De Kelten geloofde in een leven na
de dood, na de dood ging men naar de „ander wereld‟ en ging het opnieuw, oftewel reïncarnatie.
De Keltische cultuur leeft nog steeds voort in Engeland, Schotland, Wales, Bretagne en Portugal.