,Paragraaf 7.1 Waarneming: Je eten bederft
Begrippen
Micro-organismen: Alle organismen die zo klein zijn dat we ze niet
met het blote oog kunnen zien.
Voedselvergiftiging: Ziek worden door voedsel dat je opgegeten
hebt.
Voedselinfectie: Resultaat van een voedselvergiftiging
Vier rijken: Planten, dieren, schimmels en bacteriën.
Flagel: Zweephaar in een bacterie.
Prokaryoten: Cellen zonder een celkern
Eukaryoten: Cellen met een celkern.
Virussen: Erfelijk DNA met een eiwitmantel.
Voedingsmiddelentechnologie
Micro-organismen zorgen voor de vergiftiging in voedsel. Dit heet
voedselvergiftiging. Als je eten opeet dat vergiftigd is, dan loop je
kan op een voedselinfectie. Om dit te voorkomen moet je al het
eten scheiden, goed je handen wassen, het eten goed bewaren en
het eten boven de 100 graden verhitten.
Vier rijken
Er zijn vier rijken opgedeeld over de micro-organismen, deze zijn:
plantencellen, dierlijke cellen, bacteriën en schimmels. Planten zijn
heterotroof, dierlijke cellen zijn autotroof en schimmels en bacteriën
zijn afhankelijk van andere organismen.
Virussen: een apart verhaal
Virussen zijn ziekteverwekkers die, als ze in je lichaam komen, een
cel dwingen om het virus te maken. Hierdoor vermeerderd het virus
zich en komen er steeds minder gezonde cellen in het lichaam. Zij
zijn onder andere de oorzaak van diarree.
Bronnen
Bron 3: De vier rijken staan afgebeeld. Met alle kenmerken en
verhoudingen van grootte.
,Paragraaf 7.2 Onderzoeksvraag: Hoe rem je voedselbederf?
Begrippen
Pasteuriseren: Het verwarmen van voedsel op een temperatuur van
70 graden zodat bacteriesporen bijna niet zullen leven.
Steriliseren: Het verwarmen van voedsel op een temperatuur van
120 graden zodat bacteriesporen helemaal niet zullen leven.
UHT-technologie: Verwarmen van voedsel tot wel 140 graden, dit
tast de smaak aan maar maakt het voedsel wel heel lang houdbaar.
Onderzoeksvraag: Het bedenken van een vraag waar je je onderzoek
op baseert.
Hypothese: Verwachting van wat er gaat gebeuren in de conclusie.
Resultaten: De resultaten van de proef.
Discussie: Overleggen wat er goed en fout ging tijdens het
onderzoek./
Voedselbederf voorkomen
Sinds de middeleeuwen zijn mensen al bezig om het voedsel dat ze
geoogst hadden langer te bewaren. Tot op de dag van vandaag
gebruiken we nog steeds bij sommige dingen dezelfde methode.
Voedselconservering
Tegenwoordig gebruiken we veel soorten middelen om ons voedsel
langer houdbaar te maken. Voorbeelden hiervan zijn: Gassen op
voedsel, osmose, conserveringsmiddelen,
temperatuurbehandelingen en het doorstralen van aflatoxine. Door
al deze methodes kunnen wij ons voedsel langer behouden.
Natuurwetenschappelijk onderzoek
Door onderzoek te doen naar bepaalde dingen hebben we meer
oplossingen voor bijvoorbeeld houdbaarheid. Als je een onderzoek
op wilt stellen moet er altijd het volgende in staan: De
onderzoeksvraag, de hypothese, de methode, de resultaten en de
discussie. Hierdoor maak je een kloppend onderzoek.
Bronnen
Bron 5: Soorten voedselconservering, hier zie je hoe elk product eruit
ziet door een bepaald soort conservering toe te passen.
Bron 7: De volgorde van je onderwerpen in het onderzoek zijn ook
belangrijk, hier staat de volgorde van boven naar beneden.
, Paragraaf 7.3 Experimenteren: de osmosetruc met suiker en
zout
Begrippen
Celmembraan: Buitenkant van een cel die regelt welke stoffen er in
en uit de cel gaan en hoeveel.
Diffusie: Moleculen verplaatsen zich van een hoge concentratie naar
een stof met een lage concentratie.
Osmose: Waterverplaatsing door een celmembraan.
Passief transport: Een stof van een hoge concentratie naar een lage
concentratie laten gaan, dit kost geen energie.
Actief transport: Een stof van een lage concentratie naar een hoge
concentratie laten gaan, dit kost energie.
Endocytose: Een stukje membraan laat los van het celmembraan en
brengt zo de deeltjes in het celplasma.
Voedselvacuole: Stukje membraan die deeltjes bevat die de cel gaat
verteren.
Exocytose: Kraters die ontstaan als blaasjes versmelten met het
celmembraan en dan stoffen uitspuwen.
Permeabel: Het celwand laat water met opgeloste stoffen de cel in.
Selectief-permeabel: Celmembranen.
Grensplasmolyse: Wanneer de celwand zin spanning kwijt raakt en
het celmembraan nog niet los laat van de celwand.
Osmotische waarde: Hoeveelheid stoffen opgelost in water.
Hypertonisch: De sterke oplossing als 2 stoffen verschillen van
osmotische Waarde.
Hypotonisch: De zwakke oplossing.
Isotonisch: Oplossingen die beide dezelfde osmotische waarde
hebben. Ze zijn dan beide isotonisch.
Transport door het celmembraan
Er kunnen op veel manieren stoffen in de cel komen. De cel heeft
hiervoor eiwitpoortjes in het celmembraan. Die laten stoffen toe die
de cel nodig heeft. Diffusie is hier een voorbeeld van./
Watertransport
Het celmembraan maakt gebruik van osmose om stoffen via water in
de cel te krijgen. Dit doet het celmembraan met hoge en lage
concentraties stoffen.