Hoofdstuk 1
Cultuur: Het geheel van waarden en normen van een groep.
Sociaal: saamhorigheid/gezelligheid.
Macht: het vermogen om vorm te geven aan eigen toekomst.
Hoofdstuk 2
Socialisatie: het proces waarbij mensen zich leren sociaal te gedragen in voor hen relevante
groepen.
Normen: concrete gedragsregels die aangeven wat verwacht wordt in een bepaalde situatie.
Wat je moet doen of juist niet moet doen: do of don’t.
Hospitalisering: het gedrag wordt door anderen bepaald en ze kunnen weinig initiatief
nemen.
Rol: een complex van normen en verwachtingen met betrekking tot het gedrag van iemand
vanwege zijn of haar positie. Een rol is iets onpersoonlijks, we weten wat iemand moet
doen.
Extern rollenconflict: op grond van verschillende posities die iemand tegelijkertijd inneemt
het moeilijk kunnen combineren van verwachtingen die aan iemand gesteld worden.
Bijvoorbeeld tegelijk moeder zijn en een baan hebben.
Intern rollenconflict: op grond van één sociale positie, het moeilijk kunnen combineren van
verschillende verwachtingen die aan iemand gesteld worden. Bijvoorbeeld een
personeelswerker.
Institutie: een gestandaardiseerd patroon van denken en doen in bepaalde situaties. Voor
het dragen van instituties zijn er bepaalde organisaties: de instanties. Voor het onderwijs zijn
er scholen, etc.
Institutionaliseren: nieuwe instituties.
Reïficatie: sociologische begrippen die op zichzelf lijken te staan en los van de omgeving te
zien zijn. Bij een reïficatie komt een mens tegenover zijn eigen activiteit te staan, als iets dat
onafhankelijk van hem is en hem beheerst.
Totale instituties: instituties waar mensen geheel zitten opgenomen zoals gevangenissen,
verzorgingstehuizen etc.