1.De ontdekking van cellen:
Resolutie = drukt uit hoe dicht 2 punten bij elkaar mogen
zijn om ze nog scherp te kunnen zien. Hoe kleiner, hoe scherper beeld.
( blote oog 0,02mm)
Lichtmicroscoop: Elektronenmicroscoop:
- Kleur - Grijstinten
- Gebruikt licht door preparaat - Elektronen weerkaatsen op het preparaat
- Resolutie is 200 nanometer - Resolutie 0,2 nanometer
Transmissie-elektronenmicroscoop
rasterelektronenmicroscoop
(TEM)zien met een gewone
Microscopische bouw => wat we kunnen (REM)
lichtmicroscoop
Submicroscopische bouw => bepaalde cel onderdelen zijn zo klein dat we
ze niet kunnen zien met een lichtmicroscoop maar wel met
elektronenmicroscoop
2.Cellen in relatie met andere organisatieniveaus:
Organisme = levend wezen (mens)
I
Stelsel = organen die samenwerken (bloedsomloop)
I Macroscopisch
( met het blote oog)
Orgaan = onderdeel van organisme dat
uit weefsels bestaat (hart)
I
Weefsel = groep cellen met dezelfde functie en
ongeveer zelfde vorm (spierweefsel)
I
Cel = bouwstenen van een organisme (hartspiercel)
microscopisch ( lichtmicroscoop)
I
Organel = celkern Submicroscopisch
(elektronenmicroscoop)
, bindweefsel
kraakbeenweefsel
Dekweefsel beenweefsel
3.Observen van cellen:
Cytoplasma = cytosol + celorganellen
Cytosol = vloeistof tussen de celorganellen
Macroscopische bouw:
- Mens
- Lengte van sommige zenuwcellen
- Ei van kip
Microscopisch bouw:
- Planten- en dierlijke cellen
- Meeste bacteriën
Submicroscopische bouw:
- Virussen
- Ribosomen
- Dikte v/d celmembraan
- Kleine moleculen
- Atomen
4.submicroscopisch studie van celoppervlak: