GESCHIEDENIS HST 5
Visie Piaget:
1. Sensomotorische fase (tot 1,5 à 2 jaar): nadruk ligt op zintuigen en de
motoriek. Denken = doen. Egocentrisme.
2. Pre-operationele fase (1,5 à 2 tot 7 jaar): ontwikkeling van de taal,
begripsvorming, egocentrisch, fantastisch-realistisch -> dieren kunnen praten.
3. Concreet-operationeel (7 tot 12 jaar): handelingen in gedachten verrichten en
hebben betrekking op de concrete werkelijkheid. Opzoek naar logische verbanden.
Benadering van de wereld is naïef-realistisch.
4. Formeel-operationeel (vanaf 12 jaar): kind is in staat theoretisch – in de vorm
van hypothesen – met de werkelijkheid bezig te zijn -> kritisch-realistisch.
Piaget heeft zijn ideeën over de ontwikkeling van het denken niet tot een
onderwijstheorie uitgewerkt. Zijn indeling in fasen heeft wel grote invloed gehad op het
onderwijs. Het heeft ontwikkelingsafhankelijk leren gestimuleerd en onderwijsgevenden
zoeken leerstof die past bij de ontwikkelingsfase.
Visie Vygostky:
Het onderwijs moet zich aanpassen bij het leervermogen van kinderen. De cognitieve
ontwikkeling wordt mede bepaald door het onderwijs. Er moet in het onderwijs steeds een
stapje verder gegaan worden: opzoek naar de ‘zone van naaste ontwikkeling’: het gebied
waar de leerling al bijna kennis van heeft en waar hij of zij met behulp van de
onderwijsgevende echt kennis van kan krijgen. De onderwijsgevende zoekt inhouden en
activiteiten die het leervermogen van het kind zo optimaal mogelijk tot ontwikkeling
brengen, steeds maar weer een stapje verder. Er is geen specifiek op vier- of
twaalfjarigen onderwijs afgestemd.
Deze visie is een lange tijd buiten beeld gebleven in het westen.
Visie Bruner:
1. De motorische/enactieve representatie: handelend omgaan met de tastbare
dingen.
2. Iconische representatie: nieuwe informatie wordt nu ook opgenomen.
3. Symbolische representatie: leren via de taal of door gebruikmaken van
symbolen.
Visie Galperin:
1. Het materiële handelen: de leerlingen leren aan de hand van materialen,
voorwerpen, hulpmiddelen.
2. Het perceptief handelen: de leerlingen leren door te kijken naar de materialen
zonder ze te hanteren.
3. Het verbale handelen: de leerlingen leren door de handelingen onder woorden
te brengen (hardop of in zichzelf).
4. Het mentale handelen: de leerlingen leren door alleen maar te denken.
De wereld van het kind:
Alle leerpsychologen hebben samen gemeen dat de leerstof moet aansluiten bij de
wereld van het kind.
De materiële omgeving is een belangrijke rol in de fase van de opbouw van de
woordenschat. Dat blijkt heel duidelijk als kinderen onder bijzondere omstandigheden
opgroeien.
In de algemene leerpsychologische uitspraken speelt de indeling dichtbij-veraf een
belangrijke rol. In die theorie en onderwijspraktijk wordt ervan uitgegaan, dat kennis
systematisch opgebouwd moet worden volgens het principe van dichtbij naar veraf. Die
theorie is terug te vinden in de ordening van aardrijkskundestof: eigen plaats, eigen
provincie, Nederland, Europa, de wereld.
De theorie van de ‘dichtbijliggende verhoudingen’ is van verschillende kanten
bekritiseerd. Het is te verdedigen dat deze theorie op het kind van toepassing is tijdens
Visie Piaget:
1. Sensomotorische fase (tot 1,5 à 2 jaar): nadruk ligt op zintuigen en de
motoriek. Denken = doen. Egocentrisme.
2. Pre-operationele fase (1,5 à 2 tot 7 jaar): ontwikkeling van de taal,
begripsvorming, egocentrisch, fantastisch-realistisch -> dieren kunnen praten.
3. Concreet-operationeel (7 tot 12 jaar): handelingen in gedachten verrichten en
hebben betrekking op de concrete werkelijkheid. Opzoek naar logische verbanden.
Benadering van de wereld is naïef-realistisch.
4. Formeel-operationeel (vanaf 12 jaar): kind is in staat theoretisch – in de vorm
van hypothesen – met de werkelijkheid bezig te zijn -> kritisch-realistisch.
Piaget heeft zijn ideeën over de ontwikkeling van het denken niet tot een
onderwijstheorie uitgewerkt. Zijn indeling in fasen heeft wel grote invloed gehad op het
onderwijs. Het heeft ontwikkelingsafhankelijk leren gestimuleerd en onderwijsgevenden
zoeken leerstof die past bij de ontwikkelingsfase.
Visie Vygostky:
Het onderwijs moet zich aanpassen bij het leervermogen van kinderen. De cognitieve
ontwikkeling wordt mede bepaald door het onderwijs. Er moet in het onderwijs steeds een
stapje verder gegaan worden: opzoek naar de ‘zone van naaste ontwikkeling’: het gebied
waar de leerling al bijna kennis van heeft en waar hij of zij met behulp van de
onderwijsgevende echt kennis van kan krijgen. De onderwijsgevende zoekt inhouden en
activiteiten die het leervermogen van het kind zo optimaal mogelijk tot ontwikkeling
brengen, steeds maar weer een stapje verder. Er is geen specifiek op vier- of
twaalfjarigen onderwijs afgestemd.
Deze visie is een lange tijd buiten beeld gebleven in het westen.
Visie Bruner:
1. De motorische/enactieve representatie: handelend omgaan met de tastbare
dingen.
2. Iconische representatie: nieuwe informatie wordt nu ook opgenomen.
3. Symbolische representatie: leren via de taal of door gebruikmaken van
symbolen.
Visie Galperin:
1. Het materiële handelen: de leerlingen leren aan de hand van materialen,
voorwerpen, hulpmiddelen.
2. Het perceptief handelen: de leerlingen leren door te kijken naar de materialen
zonder ze te hanteren.
3. Het verbale handelen: de leerlingen leren door de handelingen onder woorden
te brengen (hardop of in zichzelf).
4. Het mentale handelen: de leerlingen leren door alleen maar te denken.
De wereld van het kind:
Alle leerpsychologen hebben samen gemeen dat de leerstof moet aansluiten bij de
wereld van het kind.
De materiële omgeving is een belangrijke rol in de fase van de opbouw van de
woordenschat. Dat blijkt heel duidelijk als kinderen onder bijzondere omstandigheden
opgroeien.
In de algemene leerpsychologische uitspraken speelt de indeling dichtbij-veraf een
belangrijke rol. In die theorie en onderwijspraktijk wordt ervan uitgegaan, dat kennis
systematisch opgebouwd moet worden volgens het principe van dichtbij naar veraf. Die
theorie is terug te vinden in de ordening van aardrijkskundestof: eigen plaats, eigen
provincie, Nederland, Europa, de wereld.
De theorie van de ‘dichtbijliggende verhoudingen’ is van verschillende kanten
bekritiseerd. Het is te verdedigen dat deze theorie op het kind van toepassing is tijdens