2
Opdracht: Keuzedeel ARBO
, Inleiding
Ik heb dit keuzedeel gekozen omdat ik mij meer wil verdiepen in wat ARBO nou eigenlijk
inhoudt. Ik wil leren werken in een veilige omgeving. Als er wordt gezorgd voor goede
kwaliteit, de Arbowet volgt en zorgt voor de juiste hulpverlening, dan is dat een goed begin.
In dit keuzedeel leer ik over al deze punten. Je leert ook over je toekomstige werkplek.
Welke ARBO regels zijn belangrijk? Wat gebeurt er als je je niet aan deze regels houdt? Wat
betekent kwaliteit voor jou branche? Waarom is kwaliteit eigenlijk zo belangrijk? Ik wil mij in
deze dingen verdiepen door op onderzoek uit te gaan op de werkvloer. Ook kan ik hier mijn
werkplek/stage mee helpen. Ik kan zorgen voor een veilige omgeving.
3
,Inhoudsopgave
heeft basiskennis van geldende wet- en regelgeving (Arbowet, Arbeidsomstandighedenbesluit)........7
heeft basiskennis van sociale wetgeving (Verzuim, Wet Poortwachter, WIA)........................................8
heeft basiskennis van relevante certificeringen en keurmerken ( ISO, branchekeurmerken)................9
heeft kennis van doel en hoofdkenmerken van kwaliteitszorgsystemen.............................................11
Heeft kennis van het kwaliteitszorgsysteem binnen de organisatie, in relatie tot bedrijfsprocessen. .12
Heeft kennis van rollen en verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de betrokkenen............12
Heeft basiskennis van veiligheidsaspecten, gezondheidsaspecten en welzijnsaspecten van arbeid....13
kan zijn werk uitvoeren met inachtneming van de voorgeschreven procedures en kaders.................15
Reflectie formulier driegesprek........................................................................................................17
kan knelpunten op het gebied van kwaliteitszorg of arbeidsomstandigheden signaleren...................18
kan onderbouwde verbetervoorstellen presenteren in het kader van kwaliteitszorg en arbo............18
D1-K1-W1: Levert een bijdrage aan de inrichting van het kwaliteitszorgsysteem................................18
Binnen mijn stage heb ik gekozen voor het kwaliteitszorgsysteem de HACCP. HACCP staat voor:
Hazard Analysis Critical Control Points. De HACCP staat verder uitgelegd onder het kopje ‘heeft
basiskennis van relevante certificeringen en keurmerken ( ISO, branchekeurmerken)’.......................18
Reflectie HACCP verbeterplan..............................................................................................................19
D1-K1-W1: Levert een bijdrage aan de inrichting van het kwaliteitszorgsysteem................................19
D1-K1-W2: Voert een risico-inventarisatie en -evaluatie uit en realiseert verbeterpunten.................20
Reflectie van verbeterplan RI&E...........................................................................................................22
D1-K2-W1: Verleent hulp bij calamiteiten............................................................................................23
Kennis van manieren om te voorkomen dat er nog meer slachtoffers vallen......................................25
Kennis van de manier om een slachtoffer te benaderen en relevante gegevens te verzamelen..........25
Kennis van de ABC-methode bij EHBO.................................................................................................26
Kennis van de werking en het belang van de vitale organen................................................................26
Kennis van het gevaar is van ernstige bloedverlies en de verschijnselen die daarbij kunnen optreden
..............................................................................................................................................................27
Kennis van oorzaken van shock (voor zover relevant voor de te verlenen eerste hulp).......................28
Kennis van de gevaren van een uitwendige (open) wond....................................................................28
Kennis van de begrippen besmetting, ontsteking en infectie...............................................................29
Heeft kennis van de kenmerken van eerste-, tweede- en derdegraads brandwonden........................31
heeft kennis van de gevaren van elektriciteit, de mogelijke schade en de (on)zichtbaarheid daarvan.
..............................................................................................................................................................32
heeft kennis van de gevaren van (open) botbreuken en ontwrichtingen.............................................32
Heeft kennis van de gevaren bij oververhitting / onderkoeling............................................................33
4
, Heeft kennis van de kenmerken van eerste-, tweede- en derdegraads bevriezing..............................34
Heeft kennis van de gevolgen van een tekenbeet................................................................................35
kan de vijf belangrijke punten bij het verlenen van eerste hulp toepassen.........................................35
Kan adequaat handelen bij stoornissen in het bewustzijn...................................................................35
Kan stoornissen van de ademhaling vaststellen en behandelen..........................................................36
Kan stilstand van de bloedsomloop vaststellen en behandelen...........................................................37
Kan (ernstige) uitwendige bloedingen behandelen..............................................................................37
Kan adequaat handelen in geval van shock..........................................................................................37
Kan brandwonden behandelen............................................................................................................38
Kan kneuzing en verstuiking behandelen.............................................................................................39
Kan ontwrichting en botbreuken behandelen......................................................................................39
Kan oogletsel behandelen....................................................................................................................40
De adequate maatregelen nemen bij vergiftiging................................................................................41
Kan elektriciteitsongevallen behandelen..............................................................................................41
Kan letsel door koude & warmte behandelen......................................................................................42
Kan iemand met letsel over korte afstand vervoeren..........................................................................42
De Rautek greep...................................................................................................................................43
kan een beginnende brand bestrijden met behulp van kleine blusmiddelen.......................................43
Hoe werkt een brandblusser?...........................................................................................................43
kan een gebouw ontruimen en evacueren. kan samenwerken met andere BHV-ers (van binnen en
buiten de eigen organisatie).................................................................................................................44
Reflectie ARBO keuzedeel....................................................................................................................44
heeft basiskennis van geldende wet- en regelgeving (Arbowet, Arbeidsomstandighedenbesluit).....6
heeft basiskennis van sociale wetgeving (Verzuim, Wet Poortwachter, WIA).....................................6
heeft basiskennis van relevante certificeringen en keurmerken ( ISO, branchekeurmerken).............8
heeft kennis van doel en hoofdkenmerken van kwaliteitszorgsystemen..........................................10
Heeft kennis van het kwaliteitszorgsysteem binnen de organisatie, in relatie tot bedrijfsprocessen
.............................................................................................................................................................11
Heeft kennis van rollen en verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de betrokkenen........11
Heeft basiskennis van veiligheidsaspecten, gezondheidsaspecten en welzijnsaspecten van arbeid.
.............................................................................................................................................................12
kan zijn werk uitvoeren met inachtneming van de voorgeschreven procedures en kaders..............14
.............................................................................................................................................................16
Reflectie formulier driegesprek...........................................................................................................16
kan knelpunten op het gebied van kwaliteitszorg of arbeidsomstandigheden signaleren...............17
kan onderbouwde verbetervoorstellen presenteren in het kader van kwaliteitszorg en arbo.........17
5