Voorbereiding werkgroep 1 • Zelfstudie 3
1. Noem 3 klinische kenmerken van Hodgkinlymfoom bij presentatie.
2. Noem manieren van diagnostiek van Hodgkinlymfoom.
3. Hodgkinlymfoom kan zich niet verspreiden naar de milt, de lever of het
beenmerg.
a. Juist
b. Onjuist
4. Wat is kenmerkend voor Hodgkinlymfoom?
a. Gumprechtse Schollen
b. Popcorncellen
c. Reed-Sternbergcellen
5. Hoe werkt de Ann Arbor-stadiëring?
6. Welk geneesmiddel is anti-CD20?
a. Brentuximab
b. Rituximab
7. Bij verdenking op non-Hodgkinlymfoom wordt altijd beenmergonderzoek
gedaan.
a. Juist
b. Onjuist
8. Het folliculaire lymfoom groeit langzaam.
a. Juist
b. Onjuist
9. Hoe kan het folliculaire lymfoom worden behandeld?
10. Kleine lymfocyten passen bij CLL.
a. Juist
b. Onjuist
GZC III → week 2 → vragen → 1
,11. Wat is een indicatie te starten met behandeling van CLL?
12. Welke stelling(en) over CLL en monoklonale B-cellymfocytose is of zijn juist?
⬜ Bij MBL is sprake van een sterke toename van B-lymfocyten
⬜ MBL is een voorstadium van CLL
⬜ MBL kan voorkomen zonder progressie naar CLL
Lymfoom en CLL • Werkgroepbijeenkomst 1
13. Verhoogd BSE is typisch voor Hodgkinlymfoom.
a. Juist
b. Onjuist
14. Bij verdenking op Hodgkinlymfoom is een X-thorax geïndiceerd.
a. Juist
b. Onjuist
15. Hoeveel procent van de Hodgkinlymfomen is geassocieerd met het Epstein-
Barr-virus?
a. 20%
b. 40%
c. 60%
d. 80%
16. Wat is de oorzaak van B-symptomen bij Hodgkinlymfoom?
a. Aanwezigheid van PD-L1
b. Cytokinen van reactieve lymfocyten
17. Welke stelling(en) over het nodulair lymfocyten predominante
hodgkinlymfoom is of zijn juist?
⬜ Chemotherapie is de laatste keuze
⬜ De behandeling begint expectatief
⬜ De Reed-Sternbergcel is de afwijkende cel
⬜ Het is te genezen
⬜ Het kan bestraald worden
⬜ Het wordt ook wel nodulair paragranuloom genoemd
18. Bij welke behandeling van Hodgkinlymfoom is de kans op infertiliteit groter?
a. ABVD
b. BEACOPP
GZC III → week 2 → vragen → 2
, 19. Welk non-Hodgkinlymfoom is het meest agressief?
a. Burkitt-lymfoom
b. Diffuus grootcellig B-cellymfoom
c. Kleincellig folliculair lymfoom
d. M. Waldenström
20.Wat is een normale lymfocytenwaarde?
a. 1 – 2 * 109/l
b. 4 – 10 * 109/l
c. 10 – 35 * 109/l
d. 50 – 60 * 109/l
21. Bij een P53-mutatie wordt chemotherapie overwogen.
a. Juist
b. Onjuist
Multipel myeloom • Hoorcollege 8
22. Bij wie komt multipel myeloom vaker voor?
a. Mannen
b. Vrouwen
23.Multipel myeloom ontstaat uit
24.Aan elk multipel myeloom gaat MGUS vooraf.
a. Juist
b. Onjuist
25. Zet de volgende ziektebeelden in juiste volgorde van progressie:
asymptomatisch multipel myeloom – MGUS – multipel myeloom
26.Koppel de kenmerken aan de juiste granulocyt.
amyloïdose 🄰 solitaire laesies in het beenmerg
plasmacelleukemie 🄱 plasmacellen in het bloed
plasmacytoom 🄲 fibrilvorming
Waldenström 🄳 lymfo-plasmacellulair infiltraat
27. Welke symptomen verwacht je bij multipel myeloom?
GZC III → week 2 → vragen → 3