13-09-2022
Hoorcollege 1
Boeken: anatomie en fysiologie/pathologie voor verpleegkundige
11 oktober 1e toets
Doelen voor de les:
1. De basale functies van levende organismen beschrijven.
Biologie: is de leer van het leven.
Alle levende wezens, van enkele cellen tot grote, meercellige organismen, verrichten dezelfde
basale functies: ze reageren op veranderingen in hun omgeving, ze groeien en planten zich voort
om nieuwe generaties te vormen, ze zijn in staat tot beweging, ze voeren complexe chemische
stofwisselingsreacties uit en ze nemen stoffen vanuit de omgeving op. Organismen nemen
zuurstof op en verbruiken dit gas tijdens de verbranding. Bij de uitscheiding ontdoen ze zich van
avalstoffen. Spijsvertering vindt plaats in gespecialiseerde structuren van het lichaam; hierbij
worden complexe voedingstoffen afgebroken. De circulatie vormt een intern transportsysteem
tussen verschillende delen van het lichaam.
2. De relatie tussen de anatomie en fysiologie uitleggen.
Anatomie: is de studie van de inwendige en uitwendige bouw en de fysieke relaties tussen
lichaamsdelen. Bij fysiologie wordt bestudeerd hoe levende organismen functioneren. Alle
specifieke functies worden door specifieke structuren uitgevoerd. Bij macroscopische anatomie
worden kenmerken bestudeerd die zonder microscoop zichtbaar zijn. Het vak omvat uitwendig
anatomie (algemene vorm en oppervlaktekenmerken), regionale anatomie (oppervlakkige en
inwendige kenmerken in een specifiek gedeelte van het lichaam) en systemische anatomie
(structuur van de grote orgaanstelsel). Fysiologie van de mens is het bestuderen van de functies
van het menselijk lichaam. Ze is gebaseerd op celfysiologie, het bestuderen van de functies van
levende cellen. Bij orgaanfysiologie wordt het functioneren van bepaalde organen bestudeerd. Bij
systemische fysiologie worden alle aspecten van het functioneren van specifieke orgaanstelsels
bestudeerd. Bij pathologische fysiologie (pathologie) worden de effecten van ziekten op het
functioneren van organen of het lichaam bestudeerd.
3. De belangrijkste organisatieniveaus in levende organismen herkennen.
Chemisch niveau: atomen de kleinste stabiele bouwstenen van de materie, verbinden zicht
met elkaar tot moleculen met een complexe vorm.
- Atomen reageren met elkaar en vormen zo moleculen
- Onderling verbonden moleculen vormen complexe contractiele eiwitfilamenten
- Contractiele eiwitfilamenten zijn structuren in een hartspiercel
Celniveau: cellen de kleinste levende eenheden in het lichaam, vormen het cellulaire
organisatieniveau.
, - Onderling verbonden hartspiercellen vormen het hartspierweefsel
Weefselniveau: een weefsel bestaat uit cellen van hetzelfde type die samenwerken om een
specifieke functie uit te voeren.
- De hartwand bestaat voornamelijk uit hartspierweefsel
Orgaanniveau: een orgaan bestaat uit twee of meer verschillende weefsels die samenwerken
om een specifieke functie uit te voeren.
- Het hart is een complex orgaan, samengesteld uit verschillende weefsels
Orgaanstelselniveau: organen werken samen in orgaanstelsels.
- Het cardiovasculaire stelsel omvat het hart, de bloedvaten en het bloed
Organismeniveau: alle orgaanstelsels in het lichaam werken samen om het leven en de
gezondheid in stand te houden.
- Alle orgaanstelsels moeten in onderlinge samenhang functioneren, wil iemand in gezondheid
kunnen leven.
1. De elf orgaanstelsels van het menselijk lichaam en de belangrijkste onderdelen van elk stelsel
herkennen.
De huid: beschermt het lichaam tegen gevaren vanuit de omgeving, speelt een rol bij het
reguleren van de lichaamstemperatuur, levert sensorische informatie.
Het beenderstelsel: biedt ondersteuning, beschermt weefsels, is opslagplaats voor mineralen
en vormt bloedcellen.
Beenderen van de ledematen:
- Schedel > cranium
- Borstbeen > sternum
- Ribben > costae
- Wervels > vertebroe
- Heiligbeen > os sacrum
- Ondersteuning: sleutelbeen > clavicula / schouderblad > scapula
- Beenderen van de arm
- Ondersteuning: bekken > pelvis, waaronder het heiligbeen
Het spierstelsel: levert beweging, biedt bescherming en steun voor andere weefsels en
produceert warmte.
- Axiale spieren
- Spieren van de ledematen
- Pezen en gewrichtsbanden
Het zenuwstelsel: maakt onmiddellijke reactie op prikkels mogelijk, meestal door het
coördineren van de activiteiten van andere orgaanstelsels; levert en interpreteert sensorische
informatie over interne en externe omstandigheden.
- Centrale zenuwstelsel
- Perifere zenuwstelsel