6.4 Samenwerken in Europa
Europese unie, samenwerken van 27 Europese landen op economisch en juridisch
terrein.
Verschillende instellingen in de EU kunnen besluiten nemen:
De Europese raad, alle regering leiders van alle EU-landen.
De raad van de Europese unie, de ministers van de EU-landen.
De Europese commissie, dagelijks bestuur van de EU
Het Europees parlement, leden die rechtstreeks gekozen zijn door inwoners
van de EU-landen.
Het Europese hof van justitie, het recht van de EU-landen handhaven.
Er komen steeds meer lidstaten bij de EU, hierdoor is het vaak moeilijk bij het nemen
van een besluit. Want ze willen graag een besluit met unanimiteit, maar met zoveel
meningen lukt dat vaak niet.
Als verbetering hebben ze een grondwet gemaakt, ze willen een aantal dingen
daarmee bereiken:
De EU de grote problemen sneller oplossen
De landen moeten zo zelfstandig mogelijk blijven
De burgers meer invloed op de besluiten die worden genomen in de EU
Er blijven wel landen die zich willen voegen bij de EU, Turkije, Macedonië en Kroatië.
7.1 Vrijwillige verzekering
Risicoavers, de natuurlijke afkeer van risico’s die mensen hebben. Maar er zit wel
verschil tussen, de één verzekerd zich het liefst voor alles en de ander beperkt de
verzekering.
Verzekeren, ook wel een vorm van risicospreiding
Je sluit een verzekering af bij een verzekeringsmaatschappij, jij betaalt daarvoor een
premie. En in ruil voor die premie wordt jij verzekerd, de verzekering gebruikt de
premies om daarmee de schade(s) te betalen.
Een polis is een contract van je verzekering, hierin staat o.a. welke schade wel of
niet wordt gedekt.
Risico= kans op voorval x gemiddeld schade bedrag van het voorval
Met deze formule kan je je risico in geld uitdrukken, zodat je het risico kunt
vergelijken met de kosten voor de verzekering.
Solidariteit, de bereidheid van mensen met een laag risico om zich samen met
mensen met een hoger risico te verzekeren. Dit is meestal onvrijwillig, je weet
namelijk niet hoe hoog het risico is van de andere verzekeraars.
Risico’s van de verzekeraar
Een verzekering is in de meeste gevallen niet verplicht, hierdoor komt een risico bij
kijken van het afsluiten van verzekering. Het kan zijn dat de mensen die gemiddeld
risico lopen zich verzekeren. Ook wel averechtse selectie.
Premiedifferentiatie, een risicogroep met een meer dan gemiddeld risico moet
daardoor een hogere premie betalen dan een risicogroep met een gemiddeld of laag
risico.
Asymmetrisch informatie, de verzekeraar en de verzekerde beschikken bij het
afsluiten van een verzekering niet over dezelfde hoeveelheid informatie.
, Moreelwangedrag, opzettelijk onvoorzichtig gedrag van een verzekerde.
Eigenrisico, het gedeelte van de schade dat door de verzekerde zelf moet worden
betaald.
7.2 verplichte verzekering
De overheid heeft een aantal verzekeringen verplicht om de redenen:
De overheid krijgt grip op belangrijke maatschappelijke problemen.
De overheid zorgt door het verplichten van verzekeringen dat de deelname
aan zo’n verplichte verzekering groot is, waardoor de premie laag kan blijven.
Mensen tegen zichzelf beschermen, denk aan een ziekenhuisopname
Bijvoorbeeld voor motorrijders is er een verplichte verzekring.
Zvw (zorgverzerkeringswet)
Januari 2006 heeft heel Nederland de verplichting tot deze wet: zvw, het doel van
deze wet is iedereen gelijke voorwaarden te verzekeren tegen de kosten van
geneeskundige zorg.
Dit is een basisverzekering, zoals huisarts en ziekenhuisopname. Maar je kan ook
nog een aanvullend pakket nemen voor bv. de tandarts.
Werknemersverzekeringen zijn:
De werkloosheidswet (WW)
De ziektewet (ZW)
De wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Volksverzekering, hierop heeft iedere Nederlander recht:
De algemene ouderdomswet (AOW)
De algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ)
De algemene nabestaande wet (ANW)
7.3 risico en beleggen
Obligatie, een lening die door de overheid of een bedrijf wordt aangegaan. De koper
van de obligatie ontvangt een rentevergoeding voor het uitlenen van geld. Je loopt
met obligaties minder risico dan met aandelen.
Aandelen, het recht op een stukje eigendom in een onderneming. De bezitter van
een aandeel ontvangt dividend (is een uitbetaling van winst aan de aandeelhouders .)
en kan beursgenoteerde aandelen kopen en verkopen. Je loopt met aandelen meer
risico als bij obligaties.
Als aandeel houder mag je tijdens aandeelhoudersvergaderingen meebeslissen over
het beleid. (bv. Winstuitkering)
Koersverlies, als je aandelen verkoopt tegen een lagere koers dan bij de aankoop.
En andersom als je het verkoopt bij een hogere koers is het koerswinst.
Voorbeeld
Marije krijgt het dividend van €0,60 uitgekeerd. Marije heeft de aandelen KPN een
jaar geleden gekocht voor €9,- per stuk.
Het dividend rendement €0,60 : €9,00 x 100 = 6,7%
Twee maanden later na de uitkering van dividend besluit Marije 500 aandelen te
verkopen. De koers van het aandeel KPN is dan €9,82.
De koerswinst in procenten is €0,82 : €9,00 x 100 = 9,1%