Hfd. 6.3 antitrombotica en trombolytica
Er zijn bij hemostase (voorkomen van bloeden) 3 stappen:
- Trombocytenaggregatie;
- Coagulatie;
- Trombolyse.
Trombocytenaggregatie: wanneer het endotheel van een vat beschadigd is, vindt
adhesie plaats van trombocyten. Met name bij het bindweefsel van de
basaalmembraan. Om adhesie te krijgen is de vonwillebrandfactor (VWF)
noodzakelijk. Na de adhesie vormen de trombo’s een fijnmazig netwerk en
scheiden ze stoffen af (serotonine) die de vaten activeert en prostaglandine
tromboxaan zorgt voor aggregratie van de trombo’s en voor vasoconstrictie.
Samen met fibrine ontstaat vervolgens een prop die de beschadiging afsluit.
Coagulatie: Wanneer bloed het vaatbed verlaat, ontstaat er gelvorming waarbij
een gelige vloeistof wordt afgescheiden: het serum. De gel wordt de trombus
genoemd. Het is een netwerk van fibrinedraden met trombo’s en ery’s. Stolling
en antistolling zijn normaal gesproken in evenwicht. Wanneer de stolling
overheerst is er sprake van trombose, wanneer het te langzaam werkt kunnen er
spontane bloedingen ontstaan. Om dit proces goed te laten lopen zijn er
meerdere verbindingen noodzakelijk, de stollingsfactoren (I t/m XIII, VI bestaat
niet). Wanneer een of meer stollingsfactoren missen zorgt dit voor een langere
stollingstijd en spontane bloedingen(hemofilie)
Het stollingsproces in stadia:
- 1e stadium: vorming protrombinase dat protrombine omzet in trombine.
Protrombinase stimuleert (met CA2+ ionen) de omzetting van protrombine
in trombine.
- Trombine zorgt (met CA2+ionen) dat het fibrinogeen (factor I) wordt
omgezet in fibrineomomeren.
- Fibrinemonomeren worden aaneengekoppeld tot fibrinepolymeer; een
onoplosbaar fibrinedraad.
- Fibrinedraden vormen een netwerk; de trombus
Om ervoor te zorgen dat niet teveel bloed gaat stollen is de trombine geheel
ingesloten in de trombus en dus onwerkbaar erbuiten. Ook zijn er
stollingsremmende factoren in het bloed, zoals heparine (anticoagulantia).
Heparine wordt gemaakt in mestcellen en basofiele granulocyten. Het inactiveert
trombine via stimulering van de vorming van het eiwit antitrombine III. Een
vermindering van stollingsremmende factoren kan aangeboren of verworven zijn
en leidt tot spontane trombose.
Trombolyse: het stollingsproces komt overal in het lichaam meermalen per dag
op gang. Om stolsels te voorkomen wordt plasminogeen (plasma eiwit) in het
stolsel opgenomen. Dit wordt vervolgens omgezet in plasmine dat stolsels weer
afbreekt.
Hemostasetests: het testen van de stollingstijd in aanwezigheid van
tromboplastine. Meest gebruikte test is protrombinetijd(PT), tegenwoordig zijn ze
gestandaardiseerd: INR=international normalized ratio).