Het verleden van de aarde
Schotse geoloog Hutton: actualiteitsbeginsel, gaat ervan uit dat processen die we nu op
aarde zien vroeger ook zo hebben gewerkt en in hetzelfde tempo.
Het heden vormt de sleutel tot het verleden -> verklaren ontstaanswijze van landschappen.
De kraamkamer van de aarde
4,6 miljard jaar geleden: in kleine nevel van heet gas en stof ontstonden concentraties (door
onderlinge aantrekkingskracht tussen deeltjes). Grootste concentratie is protozon. In nevel
vormden zich rondom protozon planeetachtige lichamen uit concentraties. Door botsingen
werden deze groter en vormden ze 8 planeten en aantal kleine dwergplaneetjes.
De maan ontstond door een inslag van een grote meteoriet, waardoor er veel materiaal van
aarde en meteoriet de ruimte in werden geslingerd.
Miljarden sterren met gasnevels vormen samen met onze zon een cluster: een schijf, iets
dikker in midden, met spiraalarmen. Dit is een sterrenstelsel, ons Melkwegstelsel.
Schillen
Aarde: 2 eigenschappen met grote rol in vorming continenten, oceanen en landschappen:
1. Vloeibaar water
2. Inwendig gelaagdheid, de aarde bestaat uit verschillende schillen met specifieke
eigenschappen. Je kijkt naar chemische en fysische samenstelling.
Chemische samenstelling:
- Aardkern: ijzer (en nikkel). Temperatuur: 5.000 - 6.000 °C
- Aardmantel: magnesium en ijzer. Temperatuur 28.00 - 18.00 °C
- Aardkorst:
● Continentale korst: 30-70 km dik, licht gesteentje, graniet
● Oceanische korst: vanaf 7 km dik, zwaar gesteentje, basalt
Fysische samenstelling: hardheid van aardlagen.
- Buitenste laag: lithosfeer (aardkorst en bovenlaag aardmantel): hard.
Onder oceanen dunner dan onder continenten. Dikte: 60 - 150 km.
- Daaronder: asthenosfeer: zachtere laag: plastisch gesteente (stroperig).
- Daaronder: binnenmantel: vast gesteente (vaster dan asthenosfeer door
hogere druk). Diepte: 400 - 2.900 km.
- Daaronder: buitenkern: vloeibaar.
- Binnenste laag: binnenkern: hard gesteente.
Inwendige warmte
Aarde is in loop van 4,6 miljard jaar nog niet afgekoeld tot koude bol.
Inwendige bronnen:
- Bij het ontstaan van aarde uit hete nevelgassen al warmte mee
- Door meteorietinslagen
- Radioactiviteit van sommige gesteenten
Uitwendige bron: zon, geeft meer warmte aan aardoppervlak dan inwendige warmte. Dit
heeft gevolgen voor exogene krachten.