EINDTERMEN - GLVM: HOOFDSTUK 1
4. De kandidaten kunnen de vraag naar het goede leven relateren aan de vraag wat het
betekent dat de mens ‘zich tot zichzelf-in-de-wereld verhoudt’. Hierover kunnen zij een
beargumenteerd standpunt innemen aan de hand van: Socrates’ opvatting dat het niet
onderzochte leven niet de moeite van het leven waard is; het verschil tussen mensen en
dieren volgens Cassirer; Nietzsches opvatting van de mens als ‘niet-vastgesteld dier’.
Het stellen van vragen over het goede leven is typisch menselijk. Een koe stelt zich dit soort
vragen niet. Ons leven lijkt wel op dat van dieren maar alleen mensen vragen zich af of hun
leven wel een goed leven is. De mens verhoudt zich tot zichzelf, en in het bijzonder tot
zichzelf-in-de-wereld. We reflecteren, evalueren en beslissen over de totale situatie waarin
we ons bevinden. Met wereld bedoelen we de andere mensen, de natuur, de dingen, onze
doelen en omstandigheden. (Augustinus; ‘ik ben mezelf een vraag geworden’.)
Dieren, bijvoorbeeld de koe, lijken juist samen te vallen met hun omstandigheden. En als aan
bepaalde voorwaarden is voldaan zijn ze tevreden. Als de omstandigheden veranderen
hebben ze een instinctmatig gedragspatroon om op veranderingen te reageren. Mensen
verhouden zich echter tot de totaliteit van hun leven en vragen zich af of het wel het goede
leven is. Ze kunnen zich hiervoor gelukkig of ongelukkig voelen. Deze verhouding tot zichzelf
drukken mensen ook uit in tekens (dat zou zelfs wel eens de mogelijkheidsvoorwaarde voor
dat zelf-verhouden kunnen zijn). Onze ervaringen van blijdschap, frustratie of angst zetten
we om in taal en symbolen. Volgens Ernst Cassirer is de mens te omschrijven als animal
symbolicum, een symboliserend dier. In religie, kunst, taal, wetenschap en filosofie drukken
de mensen in heel veel verschillende vormen uit hoe zij zich tot zichzelf-in-de-wereld
verhouden.
Soms is dat heel mooi, maar soms vinden we het ook heel lastig om dit te doen. We zouden
ook wel eens gewoon dieren willen zijn en niet hoeven na te denken of te kiezen. Volgens
Augustinus zat er een diepe onrust in mensen en volgens Nietzsche zijn we zelfs zieke
dieren. We hebben volgens hem veel geriskeerd, vernieuwd en het noodlot uitgedaagd.
Hierdoor zijn we onbevredigd en onverzadigbaar en strijden met de dieren en de goden om
de heerschappij van de wereld. We kunnen geen rust vinden. Nietzsche wees de heersende
moraal af. Een gedeelde moraal is voor de kudde. De Übermensch is een individu, vrij en
creatief en schept zijn eigen waarden voorbij de traditionele ideeën over goed en kwaad.
Nietzsche ziet de mens als het niet vastgestelde dier. Wij kunnen onszelf vaststellen als we
de uitdaging aannemen. Helaas is dit niet voor iedereen weggelegd.
Volgens Socrates is het leven dat zichzelf niet kritisch onderzoekt niet waard geleefd te
worden. Hierin herken je een lange traditie die de filosofie als de exclusieve weg naar een
goed en zinvol leven ziet. Bij Plato en Aristoteles zien we niet voor niets een belangrijke rol
4. De kandidaten kunnen de vraag naar het goede leven relateren aan de vraag wat het
betekent dat de mens ‘zich tot zichzelf-in-de-wereld verhoudt’. Hierover kunnen zij een
beargumenteerd standpunt innemen aan de hand van: Socrates’ opvatting dat het niet
onderzochte leven niet de moeite van het leven waard is; het verschil tussen mensen en
dieren volgens Cassirer; Nietzsches opvatting van de mens als ‘niet-vastgesteld dier’.
Het stellen van vragen over het goede leven is typisch menselijk. Een koe stelt zich dit soort
vragen niet. Ons leven lijkt wel op dat van dieren maar alleen mensen vragen zich af of hun
leven wel een goed leven is. De mens verhoudt zich tot zichzelf, en in het bijzonder tot
zichzelf-in-de-wereld. We reflecteren, evalueren en beslissen over de totale situatie waarin
we ons bevinden. Met wereld bedoelen we de andere mensen, de natuur, de dingen, onze
doelen en omstandigheden. (Augustinus; ‘ik ben mezelf een vraag geworden’.)
Dieren, bijvoorbeeld de koe, lijken juist samen te vallen met hun omstandigheden. En als aan
bepaalde voorwaarden is voldaan zijn ze tevreden. Als de omstandigheden veranderen
hebben ze een instinctmatig gedragspatroon om op veranderingen te reageren. Mensen
verhouden zich echter tot de totaliteit van hun leven en vragen zich af of het wel het goede
leven is. Ze kunnen zich hiervoor gelukkig of ongelukkig voelen. Deze verhouding tot zichzelf
drukken mensen ook uit in tekens (dat zou zelfs wel eens de mogelijkheidsvoorwaarde voor
dat zelf-verhouden kunnen zijn). Onze ervaringen van blijdschap, frustratie of angst zetten
we om in taal en symbolen. Volgens Ernst Cassirer is de mens te omschrijven als animal
symbolicum, een symboliserend dier. In religie, kunst, taal, wetenschap en filosofie drukken
de mensen in heel veel verschillende vormen uit hoe zij zich tot zichzelf-in-de-wereld
verhouden.
Soms is dat heel mooi, maar soms vinden we het ook heel lastig om dit te doen. We zouden
ook wel eens gewoon dieren willen zijn en niet hoeven na te denken of te kiezen. Volgens
Augustinus zat er een diepe onrust in mensen en volgens Nietzsche zijn we zelfs zieke
dieren. We hebben volgens hem veel geriskeerd, vernieuwd en het noodlot uitgedaagd.
Hierdoor zijn we onbevredigd en onverzadigbaar en strijden met de dieren en de goden om
de heerschappij van de wereld. We kunnen geen rust vinden. Nietzsche wees de heersende
moraal af. Een gedeelde moraal is voor de kudde. De Übermensch is een individu, vrij en
creatief en schept zijn eigen waarden voorbij de traditionele ideeën over goed en kwaad.
Nietzsche ziet de mens als het niet vastgestelde dier. Wij kunnen onszelf vaststellen als we
de uitdaging aannemen. Helaas is dit niet voor iedereen weggelegd.
Volgens Socrates is het leven dat zichzelf niet kritisch onderzoekt niet waard geleefd te
worden. Hierin herken je een lange traditie die de filosofie als de exclusieve weg naar een
goed en zinvol leven ziet. Bij Plato en Aristoteles zien we niet voor niets een belangrijke rol