2.1
Er zijn 6 soorten mengsels :
1. Suspensie : troebel mengsel van een vaste stof en een vloeistof, hier kun je
niet doorheen kijken.
2. Emulsie : troebel mengsel van 2 vloeistoffen, een emulgator zorgt ervoor dat
deze zich niet scheid.
3. Oplossing : helder mengsel van een vaste stof of vloeistof in een vloeistof.
4. Rook : mengsel van een vaste stof in een gas.
5. Schuim : mengsel van een gas in een vloeistof.
6. Nevel : mengsel van een vloeistof in een gas.
2.2
Als je een mengsel uit elkaar wil halen noem je dat scheiden, daar zijn er ook 6 van :
1. Filtreren : bij filtreren maak je gebruik van een verschil in deeltjesgrootte,
deze methode is geschikt voor een suspensie. De vloeistof de in de reageerbuis
door de trechter komt heet het filtraat, wat blijft zitten op het papierfilter heet
het residu.
2. Bezinken : bij bezinking zakt een van de stoffen vanzelf naar beneden, hierbij
maak je gebruik van het verschil in dichtheid. Deze methode is geschikt voor
een suspensie en een emulsie.
3. Centrifugeren : bij centrifugeren draai je een reageerbuisje heel snel rond,
waardoor een van de stoffen naar beneden zakt. Centrifugeren in versnelt
bezinken. Ook hier maak je gebruik van het verschil in dichtheid.
4. Extraheren : bij extraheren voeg je een extractiemiddel (oplosmiddel) aan
het mengsel toe, hierdoor lost een van de stoffen op. Deze methode is geschikt
voor mengsels van vaste stoffen en maakt gebruik van het verschil in
oplosbaarheid het extractiemiddel.
Een rendement is de verhouding van de praktische opbrengst (wat er echt uitkomt)
en de theoretische opbrengst (hoeveel er in totaal uit zou kunnen komen) , de formule
hiervan is :