Periode 1 (Oudheid – Middeleeuwen)
Heldenepos: lang verhalend gedicht met nadruk op het heldhaftige dat vaak werd voorgedragen of
gezongen. Het heeft een betrouwbare en alwetende auctoriale vertelinstantie. De dichter gebruikte
vaste aanduidingen, bepaalde zinnen, uitdrukkingen en traditionele formules meerdere keren in zijn
werk.
Kenmerken heldenepos
- Een heldenleven staat centraal, meestal een man met bijzonder komaf
- Soms een bijzondere geboorte
- Held met opvallend knap uiterlijk en kwaliteiten: bovenmenselijke krachten.
- Helden overtreffen tegenstanders altijd en voert altijd spectaculaire taken uit.
- Personages extreem gevoelig voor eer en roem
Oudheid – Middeleeuwen (ca. 3000 v. Chr. - ca. 1500 n. Chr.)
Maatschappelijk leven doortrokken van religie. De invloed en macht van de christelijke kerk was
enorm groot. In Babylonië hadden priesterkaste de leiding over tempels, landbouw en de economie
van de stad. De Mesopotamiërs geloven in meerdere goden en mythen --> polytheïsme.
Grieken namen godsdienstige gebruiken over van de Mesopotamiërs. Het leven in een polis (Griekse
stadsstaat) was op vele manieren verbonden met de religie. In het oude Rome geloofde de bevolking
ook in polytheïsme. Romeinen hadden een eigen godenwereld met Etruskische en Griekse
invloeden.
In de Romeinse tijd kwam het christendom tot ontwikkeling. Deze stroming verschilt op
verschillende vlakken van het polytheïsme en domineerde het leven in de Middeleeuwen. Het
wereldbeeld was theocentrisch: goden of een god waren een wezenlijke kern van hun wereldbeeld.
- Christendom is monotheïstisch
- Het heeft een heilig tekst; de Bijbel
- Ziggoerat/tempel --> kerken/kloosters of kathedraal
Daarnaast heerste er een sociale hiërarchie (indeling in groepen/klassen).
- Elite (adel, aristocratie, priesterkaste)
- Middengroep
- Lagere klassen
- Onderlaag van slaven en horigen
In de Middeleeuwen was grondbezig basis van feodale systeem, oftewel het leenstelsel. De elite
hadden een ideologie waarin de eigen sociale positie benadrukt werd door een zelfbeeld van macht,
roem, eer en afstamming. Onderwijs was niet veel aan de orde, waardoor liederen en verhalende
teksten een belangrijke middel konden zijn om principes en ideeën over te brengen. Orale traditie
speelde een grote rol hierbij. Verhalende teksten zoals chansons de gestes (heldenverhalen over
ridders) waren vooral bedoelt voor de maatschappelijke bovenlaag.
Heldenepos: lang verhalend gedicht met nadruk op het heldhaftige dat vaak werd voorgedragen of
gezongen. Het heeft een betrouwbare en alwetende auctoriale vertelinstantie. De dichter gebruikte
vaste aanduidingen, bepaalde zinnen, uitdrukkingen en traditionele formules meerdere keren in zijn
werk.
Kenmerken heldenepos
- Een heldenleven staat centraal, meestal een man met bijzonder komaf
- Soms een bijzondere geboorte
- Held met opvallend knap uiterlijk en kwaliteiten: bovenmenselijke krachten.
- Helden overtreffen tegenstanders altijd en voert altijd spectaculaire taken uit.
- Personages extreem gevoelig voor eer en roem
Oudheid – Middeleeuwen (ca. 3000 v. Chr. - ca. 1500 n. Chr.)
Maatschappelijk leven doortrokken van religie. De invloed en macht van de christelijke kerk was
enorm groot. In Babylonië hadden priesterkaste de leiding over tempels, landbouw en de economie
van de stad. De Mesopotamiërs geloven in meerdere goden en mythen --> polytheïsme.
Grieken namen godsdienstige gebruiken over van de Mesopotamiërs. Het leven in een polis (Griekse
stadsstaat) was op vele manieren verbonden met de religie. In het oude Rome geloofde de bevolking
ook in polytheïsme. Romeinen hadden een eigen godenwereld met Etruskische en Griekse
invloeden.
In de Romeinse tijd kwam het christendom tot ontwikkeling. Deze stroming verschilt op
verschillende vlakken van het polytheïsme en domineerde het leven in de Middeleeuwen. Het
wereldbeeld was theocentrisch: goden of een god waren een wezenlijke kern van hun wereldbeeld.
- Christendom is monotheïstisch
- Het heeft een heilig tekst; de Bijbel
- Ziggoerat/tempel --> kerken/kloosters of kathedraal
Daarnaast heerste er een sociale hiërarchie (indeling in groepen/klassen).
- Elite (adel, aristocratie, priesterkaste)
- Middengroep
- Lagere klassen
- Onderlaag van slaven en horigen
In de Middeleeuwen was grondbezig basis van feodale systeem, oftewel het leenstelsel. De elite
hadden een ideologie waarin de eigen sociale positie benadrukt werd door een zelfbeeld van macht,
roem, eer en afstamming. Onderwijs was niet veel aan de orde, waardoor liederen en verhalende
teksten een belangrijke middel konden zijn om principes en ideeën over te brengen. Orale traditie
speelde een grote rol hierbij. Verhalende teksten zoals chansons de gestes (heldenverhalen over
ridders) waren vooral bedoelt voor de maatschappelijke bovenlaag.