1.1 waar heb jij behoefte aan?
Wat zijn jouw wensen?
Behoefte = wensen die mensen hebben
1. basisbehoeften / primaire behoefte (alles wat je nodig hebt om te kunnen leven)
2. overige behoeften / secundaire behoeften (behoeften om het leven prettiger te maken)
Waarom maak je keuzes?
Schaarste = niet genoeg middelen (geld en tijd) om in je behoeften te voorzien.
Schaarste goederen -> middelen nodig om ze te maken (grondstoffen, arbeid of machines). Betekent
niet dat er weinig van is. Vrije goederen -> geen middelen nodig (zonlicht en wind).
Hoe kunnen we in onze behoeften voorzien?
Consumeren = producten om in je behoeften te voorzien. Mensen die iets kopen -> consumenten.
1. Diensten (activiteiten waarmee je in iemands behoefte voorziet, bijles wiskunde geven)
2. Goederen (tastbare producten). Gebruiksgoederen -> meerdere keren gebruiken.
verbruiksgoederen -> één keer gebruiken.
Welke keuzes maak je?
Alternatief aanwendbaar = als je verschillende mogelijkheden hebt om je behoeften te voorzien.
zelfvoorziening -> eigen dingen meenemen (kost geen geld en tijd).
1.2 kopen is kiezen?
Welke uitgaven heeft een gezin?
Lasten :
1. Vaste lasten (uitgaven die je betaalt met een vaste regelmaat, vaak ook vaste
bedragen -> huur, verzekeringen, abonnementen etc.)
2. Huishoudelijke uitgaven (alledaagse uitgaven -> boodschappen, persoonlijke
verzorging, uitgaan etc.)
3. Incidentele uitgaven (grote uitgaven, verstandig om geld te reserveren,
spaarrekening -> vakantie, autoreparatie etc.)