Partners in Preventie (PIP)
Week 1: Introductie voortplanting
Gameten = geslachtscellen
Meiose = reductiedeling
Mitose = celdeling
Oogenese = eicelontwikkeling
Oogonium = stamcel
Spermatogonese = zaadcelontwikkeling
Spermatogonia = stamcellen
Acrosoom = kapje van zaadcel
Menstruatie = ongesteldheid
Ovulatie = eisprong
Gonaden = geslachtsklieren
Zygote = bevruchte eicel
Endometrium = baarmoederslijmvlies
Follikel = eiblaasje
Spermatozoa = zaadcellen
Week 2: Bevruchting en ontwikkeling
Coitus = geslachtsgemeenschap
Orgasme = klaarkomen
Ejaculatie = zaadlozing
Conceptie = bevruchting
Genetica = erfelijkheidsleer
Karyogram = chromosoomportret
Foetogenese = foetale ontwikkeling
Placenta = moederkoek
Prematuur = voor de 38e week geboren worden
Serotiniteit = na de 42e week geboren worden
Nullipara = als iemand nog nooit een kind heeft gebaard
Primipara = iemand die voor het eerst bevalt
Multipara = iemand die vaker is bevallen
Tuba uterina = eileider
Nidatie = innesteling
Anemie = bloedarmoede
Pre- eclampsie = zwangerschapsvergiftiging
Subfertiliteit = verminderde vruchtbaarheid
Week 3: Bevalling
Partus = bevalling
Portio = baarmoedermond
, Verstrijken = openen portio
Uitdrijving = het kind wordt via baringskanaal naar buiten gedreven
Epidurale anesthesie = ruggenprik
Neonatale screening = hielprik en gehoorscreening
Neonatus = pasgeborene
Puerperium = kraambedperiode
Involutio uteri = terugkeren tot de normale afmetingen
Tekenen = cervixprop in de baarmoeder komt los
Dysmatuur = kindje heeft te laag gewicht
Week 4: Ziektebeelden op de basisschool
ADHD = attention deficit hyperactivity disorder
ASS = autismespectrumstoornis
Comorbiditeit = meerdere aandoeningen tegelijk
Pesten = pesten is gedrag waarbij iemand herhaald en gedurende langere tijd door anderen
bejegend wordt op manieren die opzettelijk kwaadaardig zijn
Gastro-enteritis = een infectie van de darmen. Meestal gaat het om de dunne darm. Vaak zit
de infectie ook in de maag en dikke darm. De infectie wordt veroorzaakt door virussen of
bacteriën en ontstaat ineens
Bronchitis = ontsteking in de buisjes van de longen
Dyspnoe = benauwd
Hemoptoe = ophoesten van bloed
Gedragsproblemen = een kind zich dwars en opstandig gedraagt, gauw geprikkeld is en
driftig wordt, anderen ergert, antisociaal gedrag vertoont (zoals liegen of stelen) of zich
agressief gedraagt
Gedragsstoornis = aangeboren en niet te genezen, iemand vertoont gedrag dat voortkomt
uit een aandoening
Week 5: Basisschoolcontroles
Synaptogenese = vormen van meer uitlopers
Axonen = uitloper van een zenuwcel
Amblyopie = lui oog
Strabisme = scheelzien
Groei = toename van lichaamscellen, aantal en volume
TH = Target Height
Idiopathische oorzaak = geen duidelijke oorzaak
Primaire groeistoornis = afwijkingen in het bot en steunweefsel
Prader-Willi-syndroom = kenmerkt zich door een combinatie van spierslapte,
onbedwingbare eetlust en een aantal uiterlijke kenmerken
Week 6: Seksuele ontwikkeling en anticonceptie
Vulva = de uitwendige schaamdelen
De schede = vagina
De ovaria = eierstokken