Medische basiskennis
Hoofdstuk 2.3
In de westerse samenleving zijn bacteriën en virussen de belangrijkste
ziekteverwekkers. Micro-organismen worden onderverdeeld naar biologische
eigenschappen. Zo kunnen bacteriën worden ingedeeld naar vorm. Bijvoorbeeld
kokken (rond), of bacillen (staafvormig). Een andere indeling is Gram-positief of
Gram-negatieve bacteriën. Gram heeft betrekking op de kleuringsmethode van
de bacterie wand. Bacteriën hebben geen celkern maar wel DNA. Ze kunnen zich
voortplanten (delen) in gunstige omstandigheden. Er is een grote diversiteit aan
bacteriën wat betreft hun biologische eigenschappen. Sommige soorten zorgen
voor de kringloop van organische stoffen, anderen zorgen weer voor het
geschikt maken van water voor consumptie. In 1 gram grondaarde bevinden zich
5 a 6 miljard bacteriën. Vaak zijn ze tussen de 0,5 en 5,0 micrometer groot.
Bacteriën die mensen als voedingsbron hebben gekozen bevinden zich op het
lichaamsoppervlak, dus de huid en de slijmvliezen. Slijmvliezen van de
luchtwegen, het spijsverteringskanaal en de geslachtsorganen bevinden zich niet
aan de buitenkant van het lichaam, maar staan wel in open verbinding met de
omgeving. Hier vormen de slijmvliezen, net als de huid, een barrière tussen de
buitenwereld en het lichaam. Bacteriën die zich op de huid en slijmvliezen
genesteld hebben gebruiken organische stoffen van de gastheer als voedsel. Ze
dringen niet door tot het weefsel zelf. De samenleving commensalisme is het
evenwicht in de relatie tussen bacterie en gastheer.
Kwaadaardige bacteriën worden virulent genoemd. Het afweersysteem
(antistoffen, fagocyten) maakt bacteriën die door het slijmvlies heen dreigen te
dringen onschadelijk. Pathogene bacteriën veroorzaken een infectie: de
weefselstructuur raakt beschadigd en lichaamsfuncties verstoren. Er bestaan
verschillen tussen bacteriën in virulentie (ernst) en voorkeur van orgaan. Zo
worden neus- en keelholte vaak geïnfecteerd. De hersenen blijven vaak gespaart
door de bloed-hersen barrière. Receptoren (eiwitconstructies) bepalen welke
celtypen geschikt zijn om binnen te dringen. De toegang tot een cel wordt
gecontroleerd door bepaalde herkenningsmoleculen (eiwitconstructies) die het
endocytoseproces regelen. Als een bacterie zich in het bloed kan handhaven
spreken we van sepsis (bloedvergiftiging). Sommige bacteriën kan het lichaam
moeilijk te baas. Bijvoorbeeld tuberculose (btc) is een infectieziekte waarbij de
tuberkelbacil zich weet te ‘verschansen’. De schade die dan wordt toegebracht is
niet alleen uit directe beschadiging van cellen maar ook uit de vorming van
schadelijke stoffen (bijv. tetanustoxine) die ergens anders in het lichaam de
functie van cellen aantast. Het lichaam verdedigd zich tegen pathogene
bacteriën door fagocytose. Macrofagen vanuit weefsel en leukocyten vanuit
bloed oefenen deze functie uit door bacteriën op te ‘slorpen’ en te verteren. Bij
grote aantallen bacteriën of resistentie kan dit niet. Het immuunsysteem zorgt
voor ondersteuning doordat specifieke antistoffen en killer-lymfocyten moleculen
met antigene eigenschappen aan het oppervlak van de bacterie herkennen. Het
duurt een paar dagen om de capaciteit deze specifieke afweer op peil te brengen.
In deze tussentijd kunnen er ziekteverschijnselen ontstaan. De infectie kan
onderdrukt worden, naast lichaamseigen verdediging, door antibiotica. Door de
ontdekking van penicilline zijn infectieziekten niet meer doodsoorzaak nummer 1.
Bacteriën kunnen betrokken zijn bij het ontwikkelen van een auto-immuun ziekte.
Een antigeen van een bacterie komt dan erg veel overeen met een eigen
weefselantigeen, dat de gevormde antistof het betreffende weefsel aanvalt en zo
een ontstekingsproces veroorzaakt. Bijvoorbeeld een infectie met een bepaald
Hoofdstuk 2.3
In de westerse samenleving zijn bacteriën en virussen de belangrijkste
ziekteverwekkers. Micro-organismen worden onderverdeeld naar biologische
eigenschappen. Zo kunnen bacteriën worden ingedeeld naar vorm. Bijvoorbeeld
kokken (rond), of bacillen (staafvormig). Een andere indeling is Gram-positief of
Gram-negatieve bacteriën. Gram heeft betrekking op de kleuringsmethode van
de bacterie wand. Bacteriën hebben geen celkern maar wel DNA. Ze kunnen zich
voortplanten (delen) in gunstige omstandigheden. Er is een grote diversiteit aan
bacteriën wat betreft hun biologische eigenschappen. Sommige soorten zorgen
voor de kringloop van organische stoffen, anderen zorgen weer voor het
geschikt maken van water voor consumptie. In 1 gram grondaarde bevinden zich
5 a 6 miljard bacteriën. Vaak zijn ze tussen de 0,5 en 5,0 micrometer groot.
Bacteriën die mensen als voedingsbron hebben gekozen bevinden zich op het
lichaamsoppervlak, dus de huid en de slijmvliezen. Slijmvliezen van de
luchtwegen, het spijsverteringskanaal en de geslachtsorganen bevinden zich niet
aan de buitenkant van het lichaam, maar staan wel in open verbinding met de
omgeving. Hier vormen de slijmvliezen, net als de huid, een barrière tussen de
buitenwereld en het lichaam. Bacteriën die zich op de huid en slijmvliezen
genesteld hebben gebruiken organische stoffen van de gastheer als voedsel. Ze
dringen niet door tot het weefsel zelf. De samenleving commensalisme is het
evenwicht in de relatie tussen bacterie en gastheer.
Kwaadaardige bacteriën worden virulent genoemd. Het afweersysteem
(antistoffen, fagocyten) maakt bacteriën die door het slijmvlies heen dreigen te
dringen onschadelijk. Pathogene bacteriën veroorzaken een infectie: de
weefselstructuur raakt beschadigd en lichaamsfuncties verstoren. Er bestaan
verschillen tussen bacteriën in virulentie (ernst) en voorkeur van orgaan. Zo
worden neus- en keelholte vaak geïnfecteerd. De hersenen blijven vaak gespaart
door de bloed-hersen barrière. Receptoren (eiwitconstructies) bepalen welke
celtypen geschikt zijn om binnen te dringen. De toegang tot een cel wordt
gecontroleerd door bepaalde herkenningsmoleculen (eiwitconstructies) die het
endocytoseproces regelen. Als een bacterie zich in het bloed kan handhaven
spreken we van sepsis (bloedvergiftiging). Sommige bacteriën kan het lichaam
moeilijk te baas. Bijvoorbeeld tuberculose (btc) is een infectieziekte waarbij de
tuberkelbacil zich weet te ‘verschansen’. De schade die dan wordt toegebracht is
niet alleen uit directe beschadiging van cellen maar ook uit de vorming van
schadelijke stoffen (bijv. tetanustoxine) die ergens anders in het lichaam de
functie van cellen aantast. Het lichaam verdedigd zich tegen pathogene
bacteriën door fagocytose. Macrofagen vanuit weefsel en leukocyten vanuit
bloed oefenen deze functie uit door bacteriën op te ‘slorpen’ en te verteren. Bij
grote aantallen bacteriën of resistentie kan dit niet. Het immuunsysteem zorgt
voor ondersteuning doordat specifieke antistoffen en killer-lymfocyten moleculen
met antigene eigenschappen aan het oppervlak van de bacterie herkennen. Het
duurt een paar dagen om de capaciteit deze specifieke afweer op peil te brengen.
In deze tussentijd kunnen er ziekteverschijnselen ontstaan. De infectie kan
onderdrukt worden, naast lichaamseigen verdediging, door antibiotica. Door de
ontdekking van penicilline zijn infectieziekten niet meer doodsoorzaak nummer 1.
Bacteriën kunnen betrokken zijn bij het ontwikkelen van een auto-immuun ziekte.
Een antigeen van een bacterie komt dan erg veel overeen met een eigen
weefselantigeen, dat de gevormde antistof het betreffende weefsel aanvalt en zo
een ontstekingsproces veroorzaakt. Bijvoorbeeld een infectie met een bepaald