Criminologisch onderzoek
Criminografie: de beschrijvende criminologie.
Empirisch karakter van de criminologie:
De geboorte van de “scientific approach” – het positivisme. Stroming binnen de filosofie die
uitgaat van het ‘positieve’, dat wil zeggen van dat wat gegeven is, van het feitelijke. De
filosofie en de wetenschap moeten hun onderzoek beperken tot dat positieve en zich niet
verliezen in speurtochten naar het bovenzinnelijke, naar datgene wat achter de
verschijnselen verborgen zou liggen, naar diepere oorzaken. Het positivisme wijst dus elke
vorm van metafysica af. De enige bron van kennis is de ervaring en de enige
wetenschappelijke methode is de inductie.
Voorbeeld Lombroso> maakt onderzoek empirisch doordat hij echt systematisch schedels
ging vergelijken en opmeten.
Criminologische kennisbronnen
1. Alledaagse kennis: iedereen is wel op een manier betrokken bij criminaliteit. Direct: als
slachtoffer, observant of als dader. Problemen: weinig objectieve informatie, bevat veel
misvattingen (koppeling met de “fallacies” van Felson) en veel stereotiepe beelden. Wordt
niet gebruikt in wetenschappelijk onderzoek.
2. De traditionele en de moderne media: maatschappelijke gebeurtenissen duiden en in een
juiste context of in het juiste perspectief plaatsen. Maar ook: zich in eerste instantie niet
laten leiden door “sensatiezucht”. De code voor journalistiek: waarheidsgetrouw,
onafhankelijk, fair en een open vizier. Problemen rondom relatie tussen media en
criminaliteit zijn bekend gegeven in criminologie (probleem 4). Traditionele media:
journalistiek, kranten. Moderne media: sociale media en het internet. Groeiende rol van
sociale media als nieuwsmedia. Facts versus ‘alternative facts’ en ‘fake news’. Het internet
biedt diverse uitdagingen, ook voor journalisten. Niet wetenschappelijk, maar kan wel op
sommige manieren gebruikt worden in wetenschappelijk onderzoek.
3. Eerder verricht onderzoek: altijd het startpunt in wetenschappelijk onderzoek. Desk
research: wijst op stand van zaken, theoretische of empirische leemtes of hiaten in kennis.
Zorgt er ook voor dat we weten wat we nog niet weten en wat we dus willen onderzoeken.
Voor periode eigen dataverzameling, maar ook tijdens en bovendien tijdens analyseren van
data.
4. Allerlei cijfers: politiecijfers: zijn een product van aangiftes door burgers en eigen
opsporingsactiviteiten (80%/20%). Zowel op landelijk als regionaal als internationaal niveau.
Gegevens over berechting, vervolging en sanctionering. Slachtoffercijfers: vult aan wat er
niet bij de politie terechtkomt. Wordt namelijk vaak geen aangifte gedaan en de politie kan
niet naar alle delicten onderzoek doen. Cijfers over daders door daders
(zelfrapportagestudies), zorgt ook weer voor een correctie tot de omvang van criminaliteit.
5. Dossiers en registraties: opsporingsonderzoeken politie of politieregistraties. Maar ook
andere organisaties: reclassering, ziekenhuizen, ‘blijf-van-mijn-lijfhuizen’, banken,
verzekeraars etc. let op: dossiers en registraties zijn niet gemaakt/samengesteld voor
wetenschappelijk onderzoek! Vaak onvolledig. Primair: informatie over aard en
achtergronden van bepaalde fenomenen. Bovendien: aantal dilemma’s, bijvoorbeeld dat niet
iedereen er toegang toe heeft, mag vaak niet bewaard en/of gekopieerd worden.