1.
Stelling I: Bij een polsfractuur verplaatst het fractuurdeel meestal naar ventraal.
Stelling II: Als de kracht bij een val met name richting de volaire zijde van de pols werkt kan
een Smith fractuur optreden.
A. Stelling I en II zijn juist
B. Stelling I is juist, stelling II is onjuist
C. Stelling I is onjuist, stelling II is juist
D. Stelling I en II zijn onjuist
2. U komt met het trauma team aan bij een auto-ongeval. De inzittende bestuurder ligt naast
de auto op de grond en de nek is al geïmmobiliseerd. Het slachtoffer praat losse woorden en
heeft een ademhalingsfrequentie van 40 per minuut, is onrustig en is aan het uitputten.
Rechts op de borst ziet u een segment dat paradoxaal beweegt t.o.v. de
ademhalingsbewegingen. De trachea staat centraal en de thoraxexcursies zijn erg klein.
Auscultatie is niet mogelijk i.v.m. het geluid van de snelweg. Saturatie 92%, pols 140.
Wat is hier aan de hand?
A. Spanningspneumothorax links, waarvoor u gelijk met een infuusnaald in de 2e
intercostaalruimte aanprikt.
B. Pneumothorax rechts, u plaatst een thoraxdrain.
C. Fladderthorax, u intubeert direct.
D. Aspiratie van maaginhoud, dit moet in het ziekenhuis worden uitgezogen.
3. Wat is onjuist bij de beoordeling/behandeling van brandwonden:
A. Bij brandwonden in het gelaat kijkt u of er verschroeide neusharen zijn.
B. Het is bij brandwonden soms nodig de huid open te snijden i.v.m. een strakke huid.
C. Complicatie van een brandwond kan een infectie zijn.
D. Patiënten hebben geen pijn aan 2e graads brandwonden.
4. Wat is juist?
A. De bloeddruk verandert bij een klasse I shock
B. Bradycardie is een symptoom van een klasse I shock
C. De normale diurese is 1 ml/kg/uur
D. De normale diurese is 2 ml/kg/uur
5. Een overloopblaas kan acute continue buikpijn veroorzaken.
A. Juist
B. Onjuist
Toetsvragen voor het blok ACPOZ
Co-schap: Chirurgie Naam co-assistent: Rosemarijn Jansen
Datum: 10-06-2008 Studentnummer: 3058123
1. ALGEMENE CHIRURGIE (Raamplan: overige acute chirurgische aandoeningen)
1. Het ‘Psoas teken’ is positief bij een appendicitis die ante-caecaal ligt.
2. Een patiënt met appendicitis is klinisch te herkennen aan een plankharde buik.
A. 1 = juist, 2 = juist
B. 1 = juist, 2 = onjuist