College 1
Inleiding
De omzetbelasting is een algemene indirecte verbruiksbelasting. Het kent veel
begrippen die in andere belastingen ook voorkomen, maar meestal wijkt de betekenis
van een begrip in de omzetbelasting af van de betekenis in andere belastingen. Omdat de
omzetbelasting een Europese belasting is, komt veel van de jurisprudentie uit
Luxemburg.
Algemeen
De omzetbelasting is een belasting dat bij de ondernemer wordt geheven over de omzet.
De ondernemer zet de btw op de factuur aan de afnemer en moet de ontvangen btw in
zijn aangifte afdragen. In feite is het dus de afnemer die de btw betaalt. Daarom is het
ook wel een indirecte belasting. Deze belasting is eenvoudig te innen en zorgt voor een
grote belastingopbrengst.
De belasting op de consumptie is niet nieuw. De Romeinen gebruikten ook accijnzen die
zorgden voor inkomsten bij de overheid. Ook de tiende penning van Alva is een
voorloper op de huidige omzetbelasting. Pas in de twintigste eeuw werd de
omzetbelasting zoals wij dat nu kennen geïntroduceerd. Het verschil met de oude
omzetbelasting ten opzichte van de huidige is dat de oude omzetbelasting cumulatief
waren. Hoe meer schakels er in een productieproces waren, hoe meer btw op het
eindproduct drukte. Tot 1969 werd deze cumulatieve omzetbelasting gebruikt. In 1969
werd het huidige stelsel geïntroduceerd. In de richtlijnen werden de hoofdlijnen van de
nieuwe omzetbelasting vastgelegd. In Nederland staan de regels over de omzetbelasting
in de Wet Omzetbelasting 1968, het Uitvoeringsbesluit en het Uitvoeringsbeschikking.
Wetgeving
Richtlijnen zijn gericht aan de Europese lidstaten en werken dus niet rechtstreeks door.
De lidstaten moeten de regelgeving uit de richtlijnen omzetten in de nationale wetgeving.
Als de richtlijn niet, niet tijdig of niet correct in het nationale recht is omgezet, kan de
burger zich rechtstreeks op de richtlijn beroepen. De richtlijn kan echter niet tegen de
belastingplichtige werken. Als de Hoge Raad niet weet hoe ze de nationale wetgeving in
het licht van de richtlijn moet uitleggen, is ze verplicht een prejudiciële vraag aan het
Hof van Justitie te stellen. Daarmee wordt de uitleg van de richtlijn en de uitleg van de
Wet op de Omzetbelasting steeds duidelijker.
Naast de richtlijn is er ook nog een verordening. De verordening vormt een uitleg van
de richtlijn. De verordening werkt wel rechtstreeks door.
Structuur van de wet
In art. 1 Wet OB staan de belastbare feiten. Het gaan dan allereerst om de leveringen
van goederen en diensten die in Nederland onder bezwarende titel door een
ondernemer worden verricht. Onder bezwarende titel wil zeggen dat de levering of
dienst niet gratis mogen zijn. Verder worden intracommunautaire verwervingen belast.
Dit betreft goederenhandel tussen Europese landen. Tenslotte wordt invoer ook belast.
Dit gaat om handel tussen lidstaten en derde landen. In art. 3 en art. 4 wordt aangegeven
wat leveringen en diensten zijn. Waar iets belast is, dus welk land btw mag heffen, staat
in art. 5 en art. 6. In art. 7 staat wie de btw verschuldigd is, namelijk de ondernemer. In
art. 8 staat de maatstaf van heffing, dus waarover btw geheven moet worden. Meestal
is de maatstaf de prijs. Als bepaald is dat iets belast moet worden, moet er naar art. 9
gekeken worden voor het tarief. Als iets niet belast is, is het vrijgesteld (art. 11). In art.
12 staat bij wie de btw geheven wordt. Je kunt de heffing namelijk ook verleggen naar de
afnemer. Art. 15 gaat over de aftrek van voorbelasting.
1
, Samenvatting colleges Omzetbelasting 2015-2016
Leveringen
In art. 3 Wet OB wordt uitgelegd wat onder leveringen wordt verstaan. Een levering is
allereerst de overdracht of overgang van de macht om als eigenaar over een goed te
beschikken (art. 3-1-a). Dit basisbegrip is afgeleid uit de richtlijn. Het arrest Safe
bepaald dat het begrip levering een communautair begrip is. Dit begrip mag je dus niet
civielrechtelijk uitleggen. Elke handeling die ertoe leidt een ander over het goed te
beschikken is een levering in de zin van art. 3-1-a. Ook als je alleen de economische
eigendom overdraagt, is er sprake van een levering. In art. 3-1-b en art. 3-1-f worden
bepaald dat respectievelijk huurkoop en montage van een goed onder levering valt. In
art. 3-1-c wordt bepaald dat de oplevering van een onroerende zaak wordt belast. Dit is
om problemen te voorkomen bij de oplevering. Het kan namelijk zo zijn dat de grond al
van jou is en je er een huis op laat bouwen. Het huis zou dan door natrekking ook van
jou worden. Dan zou er geen btw geheven worden. In art. 3-1-c wordt dan bepaald dat
de oplevering van nieuwbouw levering is in de zin van art. 3.
In art. 3 lid 2 wordt bepaald dat de vestiging en overdracht van zakelijke rechten een
levering is voor de omzetbelasting. Dit moet minimaal tegen kostprijs gebeuren. Anders
is het een dienst. Als je dus een recht van vruchtgebruik vestigt op een huis, wordt dit
gelijkgesteld met een levering van een huis.
Art. 3-3-a gaat het over het onttrekken van een goed uit een onderneming voor
privédoeleinden of voor het personeel. Er is dan sprake van een fictieve levering om te
voorkomen dat je een btw vrij goed uit de onderneming onttrekt. Bij aankoop van dat
product is namelijk wel voorbelasting afgetrokken. Bij onttrekking van het goed wordt
de prijs van een vergelijkbaar product of minimaal de kostprijs als maatstaf van heffing
gebruikt (art. 8 lid 3).
Art. 3 lid 4, 5 en 6 gaan over ABC-overeenkomsten, veilingen en commissionair. Bij
ABC-leveringen wordt hetzelfde goed door A aan B, door B aan C, door C aan D
enzovoort verkocht. Elke verkoop wordt als een levering beschouwd, ook al wordt het
goed door A rechtstreeks aan D wordt geleverd. Voor de omzetbelasting worden alle
verkopen als afzonderlijke leveringen beschouwd. Bij een veiling wordt er geacht dat de
goederen aan de houder van de veiling is geleverd en die houder de goederen
vervolgens weer aan een ander levert. Een commissionair is iemand die iets verkoopt op
eigen naam, maar in opdracht en voor rekening voor een ander. Er wordt dan geacht dat
de goederen door die ander aan de commissionair wordt geleverd en die commissionair
het weer aan iemand anders levert.
Art. 3 lid 8 bepaalt dat onttrekkingen van goederen om voor bedrijfsdoeleinden te
dienen niet onder art. 3-3-a vallen als het maar een geringe waarde heeft.
Behalve art. 3-3-a hebben wij in Nederland ook een Besluit Uitsluiting Aftrek. In deze
BUA wordt bepaald dat bij verstrekkingen aan personeel of voor privédoeleinden geen
aftrek mogelijk is op de inkoop of aankoop. In Nederland wordt in principe het BUA
toegepast en niet art. 3-3-a. Het BUA treedt pas in werking als de verstrekkingen een
waarde hebben van meer dan €227 per persoon per jaar. Als je onder die grens blijft,
mag je dus wel btw aftrekken. Dit geldt ook voor diensten. Op grond van art. 16a gaat de
BUA voor op art. 3-3-a.
Diensten
Voor de diensten heb je ook een soort art. 3-3-a, namelijk art. 4-2-a. Als iemand een
gratis dienst levert, is er sprake van een fictieve dienst en wordt de maatstaf van
heffing vastgesteld op de kostprijs van die dienst op grond van art. 8 lid 7.
Diensten is alles dat geen levering is, mits het tegen betaling gebeurt. Als iets geen
levering is, is het dus een dienst. Een voorbeeld van een dienst is het geven van een
2
, Samenvatting colleges Omzetbelasting 2015-2016
advies, het overdragen van een onlichamelijke zaak. Het overdragen van uitvinding is
ook een dienst. Het gaat namelijk niet om een stoffelijke zaak. Als het gaat om een
stoffelijke zaak, is er sprake van een goed (art. 3 lid 7).
Soms kan er ook sprake zijn van een combinatie van een levering en een dienst. Je moet
een combinatie van prestaties als één zien als het economisch gezien een geheel is.
Anders moet je het als twee prestaties zien. Een Happy Meal bij de McDonalds moet je
dus splitsen in een deel, namelijk het voedsel, dat voor het verlaagde tarief wordt belast
en een deel dat voor het normale tarief wordt belast, namelijk het speelgoed.
Onder bezwarende titel
De leveringen en diensten moeten onder bezwarende titel worden gedaan om belast te
kunnen worden. In het arrest Tolsma wordt bepaald wat er onder ‘bezwarende titel’
wordt verstaan. In dit arrest ging het om een orgeldraaier waarbij mensen geld in zijn
bakje gooit. De belastinginspecteur vond dat het geld een betaling voor een dienst is,
namelijk het draaien van het orgel. Het HvJ heeft echter bepaald dat het geen dienst
onder bezwarende titel is. Je moet dan contractueel een prijs hebben bedongen. Er moet
dus een rechtstreeks verband zijn tussen de prestatie en de betaling. Dat was niet zo bij
de orgeldraaier, waardoor hij niet belast wordt.
Subsidies
De overheid geeft vaak subsidies voor instellingen, zoals de schouwburg en het
zwembad. Dat kan een subsidie per toegangskaartje zijn, oftewel een prijssubsidie, maar
het kan ook een bepaald bedrag in keer zijn. Dat is een algemene subsidie en wordt ook
wel een lumpsum genoemd. Het nadeel van een prijssubsidie is dat het een
rechtstreeks verband heeft met het verlenen van toegang tot het zwembad. Daarom
wordt er ook btw geheven over de subsidie. Bij een lumpsum is er sprake van een
algemene bijdrage voor de algemene kosten en is er dus geen rechtstreeks verband met
het verlenen van de dienst. Er kan dan geen btw geheven worden.
Als een subsidie een zuivere schadevergoeding is, is er geen sprake van een betaling
voor een dienst. Een voorbeeld is als de overheid wil dat een vervuilend bedrijf
verplaatst wordt, de overheid vaak een subsidie in de vorm van een schadevergoeding
betaalt. Omdat dit geen betaling voor een dienst is, wordt er ook geen btw over geheven.
De vraag is echter of het zwembad een dienst verricht in ruil voor de lumpsum. Het zou
namelijk kunnen dat de gemeente eisen stelt aan het zwembad, voordat ze de subsidie
geven. Dan zou er sprake zijn van een dienst en moet er wel btw worden geheven.
Verboden prestaties
De omzetbelasting betrekt alleen legale prestaties in de btw. Illegale handel vindt buiten
het economische verkeer plaats, waardoor er geen sprake is van een economische
prestatie en het dus niet belast is met btw. ‘Buiten het economische verkeer’ is een zeer
beperkt begrip. Er vallen dus niet veel prestaties onder dat begrip, waardoor de meeste
prestaties belast worden.
Overdracht van een onderneming
Als een hele onderneming wordt overgedragen, wordt er op grond van art. 37d Wet OB
geen btw geheven. Goederen komen namelijk niet dichter bij de consument. Er moet dan
wel sprake zijn van een algemeenheid van goederen en diensten, zoals een complex
van verhuurde woningen. Dit wordt uitgelegd in het arrest Zita Modes. Het houdt de
overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met
lichamelijke en eventueel ook onlichamelijk zaken zijn, die samen een onderneming of
een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische
activiteit kan worden uitgeoefend. Het hoeft niet per se dezelfde economische activiteit
te zijn, maar er moet wel een economische activiteit worden blijven verricht.
3