,Inhoudsopgave
Week 1 / Derivaten........................................................................................................................................ 3
Week 2 / Optie strategieën............................................................................................................................ 4
Week 3 / Valutamarkt.................................................................................................................................... 5
Week 4 / Valutarisicobeheer.......................................................................................................................... 8
Week 5 / Renterisicobeheer......................................................................................................................... 10
Week 6 / Factor investing............................................................................................................................ 13
2
,Week 1 / Derivaten
Handelsderivaten = afgeleid van een onderliggende financiële titel
Voorbeelden:
- Opties
- Termijncontracten
- Swaps
Doel is het verplaatsen van risico van een onderliggende belegging
Opties:
1. Call en put opties
Call = recht om te kopen
Put = recht om te verkopen
2. Uitoefenprijs
3. Optiecontract geldt per 100 aandelen
4. Optiepremie wordt altijd bepaald aan de optiepremie x 100 aandelen
5. Kopen en schrijven
Zero sum game altijd één winnaar en verliezer
- Amerikaans type en Europees type (NL-opties zijn van het Amerikaanse type)
- Assignement
- Levering
Contante levering
Fysieke levering
- Standaardisatie
Warrent:
- Warrent lening converteerbare lening
- Call warrent / put warrant
- Geen standaardproduct
Factoren die koers van een optie bepalen:
- Uitoefenprijs
- Onderliggende waarde
- Rente
- Volatiliteit
- Looptijd
- Verwachte dividend
Intrinsieke waarde = Waarde van de optie bij uitoefening
Tijdswaarde = Verwachtingswaarde
Optiepremie = intrinsieke waarde en tijdswaarde
Delta = mutatie optiepremie/verandering beurskoers onderliggende waarde
Koersvorming (intrinsieke waarde bij uitoefening) = in the money / at the money / out of the money
3
, Week 2 / Optie strategieën
Optie strategieën:
- Pricespread gekochte en geschreven optiecontracten hebben dezelfde looptijd maar
verschillende qua uitoefenprijs
o Price (call) spread (€22,5 gekocht tegen €2 en €25 geschreven tegen €0,95)
investering is €1,05 per contract
- Straddle = gelijktijdig kopen/schrijven van een calloptie en een put optie met dezelfde
uitoefenprijs
- Strangle = Straddle maar uitoefenprijs van putoptie is lager dan calloptie
- Driepoot
- Synthetische future
Figuur 1 Price spread Figuur 2 Straddle long Figuur 3 Strangle short
Swaps: onderhandse ruil van kasstromen
Renteswap: ruil van rentebetalingen, met name vast en variabel
Gestructureerde producten:
“Combinaties van verschillende typen financiële titels (vaak oorspronkelijke financiële titels en
derivaten)”
- Garantieproduct percentage van een hoofdsom wordt gegarandeerd: combinatie van
zerocouponobligatie en calloptie
- Hefboomproduct combinatie van onderliggende waarde (bijv. aandeel) en lening, zoals
Turbo of Contracts for difference (CFD)
Futures (beursgenoteerd) <-> Forwards (niet-beursgenoteerd)
Futures hebben geen premie, is namelijk een verplichting. Opties is een recht.
Black-Sholes formule:
Factoren:
- Aandelenprijs
- Uitoefenprijs
- Risicovrije rendement
- Tijd tot expiratie
- Standaarddeviatie (volatiliteit)
4