Hoofdstuk 2
Paragraaf 2.2
Molecuulbinding / vanderwaalsbinding = binding tussen moleculen
Atoombinding = binding tussen niet-metalen in een molecuul. Het is een binding waarbij 1 of meer
gemeenschappelijke elektronenparen 2 atoomresten bij elkaar houden.
Hoe groter het molecuul, des te sterker een binding, des te hoger het kookpunt
De covalentie = dit geeft het aantal gemeenschappelijke elektronenparen aan dat een atoom kan
vormen.
Moleculaire stof = zijn opgebouwd uit moleculen die uit niet-metaalatomen bestaan. Zijn hydrofobe
stoffen.
Kunnen in 3 fasen voorkomen:
1. Vast
2. Vloeibaar
3. Gasvormig
In de vaste fase zijn moleculen in een moleculaire stof vaak volgens een vast patroon gerangschikt. Er
vindt daar regelmatig stapeling van deeltjes plaats, dit is een kristalrooster.
Molecuulrooster = kristalrooster bij moleculaire stoffen.
Atoomrooster = bij koolstof ontstaat een structuur waarbij alle atomen onderling via
atoombindingen met elkaar verbonden zijn.
Paragraaf 2.3
Polaire atoombinding = binding tussen 2 verschillende niet-metaal atomen. Bijvoorbeeld binding
tussen een waterstofatoom en een chlooratoom.
Polair molecuul (dipoolmolecuul) = molecuul met een dipoolmoment groter dan nul. Heeft een δ-
kant en δ+ kant.
Polaire stof = bestaat uit polaire moleculen en heeft daardoor een extra binding. Zijn hydrofiele
stoffen.
Dipoolmoment = de maat voor de polariteit van polaire stoffen. (Binas 55)
Paragraaf 2.2
Molecuulbinding / vanderwaalsbinding = binding tussen moleculen
Atoombinding = binding tussen niet-metalen in een molecuul. Het is een binding waarbij 1 of meer
gemeenschappelijke elektronenparen 2 atoomresten bij elkaar houden.
Hoe groter het molecuul, des te sterker een binding, des te hoger het kookpunt
De covalentie = dit geeft het aantal gemeenschappelijke elektronenparen aan dat een atoom kan
vormen.
Moleculaire stof = zijn opgebouwd uit moleculen die uit niet-metaalatomen bestaan. Zijn hydrofobe
stoffen.
Kunnen in 3 fasen voorkomen:
1. Vast
2. Vloeibaar
3. Gasvormig
In de vaste fase zijn moleculen in een moleculaire stof vaak volgens een vast patroon gerangschikt. Er
vindt daar regelmatig stapeling van deeltjes plaats, dit is een kristalrooster.
Molecuulrooster = kristalrooster bij moleculaire stoffen.
Atoomrooster = bij koolstof ontstaat een structuur waarbij alle atomen onderling via
atoombindingen met elkaar verbonden zijn.
Paragraaf 2.3
Polaire atoombinding = binding tussen 2 verschillende niet-metaal atomen. Bijvoorbeeld binding
tussen een waterstofatoom en een chlooratoom.
Polair molecuul (dipoolmolecuul) = molecuul met een dipoolmoment groter dan nul. Heeft een δ-
kant en δ+ kant.
Polaire stof = bestaat uit polaire moleculen en heeft daardoor een extra binding. Zijn hydrofiele
stoffen.
Dipoolmoment = de maat voor de polariteit van polaire stoffen. (Binas 55)