De celmembraan
Fosfolipide bilaag
Eiwitten hebben hydrofiele en hydrofobe delen waardoor ze de membraan kunnen
‘’oversteken’’
Transmembraan eiwitten
Veel verschillende functies
,Vloeibaarheid van membraan
Fosfolipiden in de plasmamembraan kunnen
bewegen binnen de bilaag
Verzadiging van de koolwaterstof staarten
beïnvloedt de vloeibaarheid
Cholesterol beperkt de beweging van de
fosfolipiden maar voorkomt ook het stijf
worden van de membraan
Transport over de membraan
Passief transport – vergemakkelijkte diffusie
Transporteiwitten: passage van hydrofiele stoffen over de membraan
Kanaal eiwitten (channels)
-moleculen of ionen kunnen dit gebruiken als tunnel (aquaporines)
Transport eiwitten (carriers)
-binden aan specifieke moleculen en veranderen van vorm om zo
over de membraan te transporteren (glucose transporter)
,Actief transport
Verplaatst stoffen tegen hun concentratie gradient in
Heeft energie nodig (ATP)
Voorbeeld: natrium-kalium pomp
Endocytose en exocytose
Voor buik transport over de membraan
-eiwitten/ polysacchariden
Endocytose: naar binnen in de cel
Exocytose: naar buiten de cel
-bijv. blaasje met eiwitten van de Golgi, via microtubuli, naar plasma membraan
Overzicht van immuniteit in dieren
, Het immuunsysteem
Onderscheid tussen zelf en niet-zelf
Door moleculaire herkenning (lichaamsvreemde moleculen)
Aangeboren (innate) immuniteit
Verworven (adaptive) immuniteit
Barrieres (aangeboren)
Huid (licht zuur)
Slijmvliezen
-spijsverteringskanaal (maag pH)
-luchtwegen (slijm en trilharen cilia)
Dit zijn allemaal epithelia
Cellulaire afweer (aangeboren)
Fagocyterende cellen
Belangrijkste fagocyterende cellen zijn
-macrofagen (1)
-neutrofiele granulocyten (2)
-dendritische cellen (3)
Herkennen pathogeen-specifieke patronen (PAMP) m.b.v. receptoren op hun
membraan
-bijv. polysacchariden (LPS), glycoproteinen
Dendritische cellen (aangeboren)
Fagocyterende cel
Speelt belangrijke rol in verworven immuniteit door antigeen presentatie
Antigeen presenterende cel (ACP)
Fosfolipide bilaag
Eiwitten hebben hydrofiele en hydrofobe delen waardoor ze de membraan kunnen
‘’oversteken’’
Transmembraan eiwitten
Veel verschillende functies
,Vloeibaarheid van membraan
Fosfolipiden in de plasmamembraan kunnen
bewegen binnen de bilaag
Verzadiging van de koolwaterstof staarten
beïnvloedt de vloeibaarheid
Cholesterol beperkt de beweging van de
fosfolipiden maar voorkomt ook het stijf
worden van de membraan
Transport over de membraan
Passief transport – vergemakkelijkte diffusie
Transporteiwitten: passage van hydrofiele stoffen over de membraan
Kanaal eiwitten (channels)
-moleculen of ionen kunnen dit gebruiken als tunnel (aquaporines)
Transport eiwitten (carriers)
-binden aan specifieke moleculen en veranderen van vorm om zo
over de membraan te transporteren (glucose transporter)
,Actief transport
Verplaatst stoffen tegen hun concentratie gradient in
Heeft energie nodig (ATP)
Voorbeeld: natrium-kalium pomp
Endocytose en exocytose
Voor buik transport over de membraan
-eiwitten/ polysacchariden
Endocytose: naar binnen in de cel
Exocytose: naar buiten de cel
-bijv. blaasje met eiwitten van de Golgi, via microtubuli, naar plasma membraan
Overzicht van immuniteit in dieren
, Het immuunsysteem
Onderscheid tussen zelf en niet-zelf
Door moleculaire herkenning (lichaamsvreemde moleculen)
Aangeboren (innate) immuniteit
Verworven (adaptive) immuniteit
Barrieres (aangeboren)
Huid (licht zuur)
Slijmvliezen
-spijsverteringskanaal (maag pH)
-luchtwegen (slijm en trilharen cilia)
Dit zijn allemaal epithelia
Cellulaire afweer (aangeboren)
Fagocyterende cellen
Belangrijkste fagocyterende cellen zijn
-macrofagen (1)
-neutrofiele granulocyten (2)
-dendritische cellen (3)
Herkennen pathogeen-specifieke patronen (PAMP) m.b.v. receptoren op hun
membraan
-bijv. polysacchariden (LPS), glycoproteinen
Dendritische cellen (aangeboren)
Fagocyterende cel
Speelt belangrijke rol in verworven immuniteit door antigeen presentatie
Antigeen presenterende cel (ACP)