Week 1
Samenvatting Corstens/Borgers
H1 - Plaatsbepaling en doel strafproces(recht)
H1.3 - Doeleinden van het strafproces(recht), spanningen
Het strafprocesrecht heeft als hoofddoel het regelen van de juiste toepassing van het materiële
strafrecht. Het strafprocesrecht heeft daarnaast ook enkele nevenfuncties: speciale preventie,
generale preventie, het voorkomen van eigenrichting, orde scheppen en genoegdoening voor
slachtoffers.
Het strafprocesrecht bestaat uit twee aspecten, enerzijds bevoegdheidstoedeling en anderzijds
begrenzing van die bevoegdheid.
Nederland kent het gematigd accusatoire systeem. In het accusatoire stelsel strijden twee
gelijkwaardige partijen tegenover elkaar bij een passieve rechter. In het inquisitoire proces is de
rechter actief op zoek naar de waarheid en is de verdachte meer een object van onderzoek. In
Nederland lijkt de beginfase van het strafproces meer op het inquisitoire proces, terwijl het proces
zelf meer weg heeft van het accusatoire proces.
H4 - Personen en organen in de strafrechtspleging
H4.3 - De verdachte (t/m p. 92)
Artikel 27 lid 1 Sv bepaalt dat een burger alleen als verdachte mag worden aangemerkt als er aan
drie bestanddelen is voldaan: (I) er moet sprake zijn van een strafbaar feit (legaliteitsbeginsel: art.
1 lid 1 Sr), (II) er moet een redelijk vermoeden van schuld bestaan (louter subjectief vermoeden is
niet voldoende) en (III) dat vermoeden moet op feiten of omstandigheden gebaseerd zijn.
H3 - Uitgangspunten en beginselen van het Nederlandse
strafprocesrecht
H3.1 - Inleiding
Rechterlijke onpartijdigheid is een fundamenteel rechtsbeginsel. Het opportuniteitsbeginsel is een
uitgangspunt. Bij fundamentele rechtsbeginselen had men niet voor een ander alternatief kunnen
kiezen, bij uitgangspunten had dit wel gekund. Beide termen (zowel fundamentele
rechtsbeginselen als uitgangspunten) worden met de term beginsel aangeduid.
H3.2 - Klassieke uitgangspunten
I. Rechterlijke onafhankelijkheid
II. Rechterlijke onpartijdigheid
III. Beroepsrechters
IV. Vervolgingsmonopolie OM
V. Opportuniteitsbeginsel: het OM beslist welke zaken wel en niet worden doorgezet
VI. Correctiemechanismen: er bestaan enkele correctiemechanismen om de macht van het OM
(vervolgingsmonopolie + opportuniteitsbeginsel) te controleren. Er kan bv. beklag gedaan
worden als het OM (ten onrechte) niet verder vervolgd.
VII. Strafvorderlijke legaliteit (art. 1 Sr)
VIII.Geen procedure zonder aanleiding
IX. Vermoeden van onschuld
A. Verdachte hoeft niet zijn eigen onschuld te bewijzen
Samenvatting Corstens/Borgers
H1 - Plaatsbepaling en doel strafproces(recht)
H1.3 - Doeleinden van het strafproces(recht), spanningen
Het strafprocesrecht heeft als hoofddoel het regelen van de juiste toepassing van het materiële
strafrecht. Het strafprocesrecht heeft daarnaast ook enkele nevenfuncties: speciale preventie,
generale preventie, het voorkomen van eigenrichting, orde scheppen en genoegdoening voor
slachtoffers.
Het strafprocesrecht bestaat uit twee aspecten, enerzijds bevoegdheidstoedeling en anderzijds
begrenzing van die bevoegdheid.
Nederland kent het gematigd accusatoire systeem. In het accusatoire stelsel strijden twee
gelijkwaardige partijen tegenover elkaar bij een passieve rechter. In het inquisitoire proces is de
rechter actief op zoek naar de waarheid en is de verdachte meer een object van onderzoek. In
Nederland lijkt de beginfase van het strafproces meer op het inquisitoire proces, terwijl het proces
zelf meer weg heeft van het accusatoire proces.
H4 - Personen en organen in de strafrechtspleging
H4.3 - De verdachte (t/m p. 92)
Artikel 27 lid 1 Sv bepaalt dat een burger alleen als verdachte mag worden aangemerkt als er aan
drie bestanddelen is voldaan: (I) er moet sprake zijn van een strafbaar feit (legaliteitsbeginsel: art.
1 lid 1 Sr), (II) er moet een redelijk vermoeden van schuld bestaan (louter subjectief vermoeden is
niet voldoende) en (III) dat vermoeden moet op feiten of omstandigheden gebaseerd zijn.
H3 - Uitgangspunten en beginselen van het Nederlandse
strafprocesrecht
H3.1 - Inleiding
Rechterlijke onpartijdigheid is een fundamenteel rechtsbeginsel. Het opportuniteitsbeginsel is een
uitgangspunt. Bij fundamentele rechtsbeginselen had men niet voor een ander alternatief kunnen
kiezen, bij uitgangspunten had dit wel gekund. Beide termen (zowel fundamentele
rechtsbeginselen als uitgangspunten) worden met de term beginsel aangeduid.
H3.2 - Klassieke uitgangspunten
I. Rechterlijke onafhankelijkheid
II. Rechterlijke onpartijdigheid
III. Beroepsrechters
IV. Vervolgingsmonopolie OM
V. Opportuniteitsbeginsel: het OM beslist welke zaken wel en niet worden doorgezet
VI. Correctiemechanismen: er bestaan enkele correctiemechanismen om de macht van het OM
(vervolgingsmonopolie + opportuniteitsbeginsel) te controleren. Er kan bv. beklag gedaan
worden als het OM (ten onrechte) niet verder vervolgd.
VII. Strafvorderlijke legaliteit (art. 1 Sr)
VIII.Geen procedure zonder aanleiding
IX. Vermoeden van onschuld
A. Verdachte hoeft niet zijn eigen onschuld te bewijzen