De theorie van Ullman en het voedselprobleem
2p 1 Aan welke twee aanvullende voorwaarden moet volgens de theorie van Ullman nog
meer voldaan worden om een goederenstroom ook daadwerkelijk tot stand te laten komen?
Twee stellingen:
- GB54 kaart 242B is een weergave van de nationale gemiddelden op het gebied van de
kwantitatieve voedselsituatie.
- Aan de hand van kaart 242E kan worden bepaald in welke landen er sprake is van
kwalitatieve honger.
2p 2 Geef voor stelling 1 en 2 aan of ze juist of onjuist zijn. Motiveer je keuze per stelling.
Gebruik GB54 242B en 229. De aanname is dat op 242B de landen met minder dan 11.000
kJ een tekort aan voedsel kennen en dat de landen die op 229 export van een gewas laten
zien een overschot aan voedsel hebben.
1p 3 Ga uit van de informatie in bron 1. Welke goederenstroom zou er dan moeten
ontstaan?
Je kunt vaststellen dat die goederenstroom er niet is.
1p 4 Geef hiervoor de verklaring.
Gebruik GB54 229. Complementariteit kan door verschillende oorzaken ontstaan. Eén van
die oorzaken is het klimaat.
2p 5 Noteer één voedingsgewas waarvoor de klimaatverschillen een doorslaggevende rol
spelen. Motiveer je antwoord en zie daarbij af van de (sub)polaire gebieden op aarde.
Gebruik GB54 229. Als je deze kaart bekijkt valt op dat valt het je wellicht op dat, ondanks
het enorme landbouwareaal waarover het zuiden van de ‘voormalige Sovjet-Unie’ beschikt,
er behalve een klein volume via de Oostzee, geen handelsstromen van en naar dit gebied
gaan.
2p 6 Geef daarvoor de verklaring.
Bron 1: complementariteit
Een kernbegrip binnen de transporttheorie van Ullman is de zogenaamde
‘complementariteit’ tussen twee gebieden. Als er ergens een voedselprobleem is, zou
volgens deze theorie een transportstroom op gang moeten komen van gebieden waar een
overschot aan voedsel is naar gebieden met voedseltekorten.
2p 1 Aan welke twee aanvullende voorwaarden moet volgens de theorie van Ullman nog
meer voldaan worden om een goederenstroom ook daadwerkelijk tot stand te laten komen?
Twee stellingen:
- GB54 kaart 242B is een weergave van de nationale gemiddelden op het gebied van de
kwantitatieve voedselsituatie.
- Aan de hand van kaart 242E kan worden bepaald in welke landen er sprake is van
kwalitatieve honger.
2p 2 Geef voor stelling 1 en 2 aan of ze juist of onjuist zijn. Motiveer je keuze per stelling.
Gebruik GB54 242B en 229. De aanname is dat op 242B de landen met minder dan 11.000
kJ een tekort aan voedsel kennen en dat de landen die op 229 export van een gewas laten
zien een overschot aan voedsel hebben.
1p 3 Ga uit van de informatie in bron 1. Welke goederenstroom zou er dan moeten
ontstaan?
Je kunt vaststellen dat die goederenstroom er niet is.
1p 4 Geef hiervoor de verklaring.
Gebruik GB54 229. Complementariteit kan door verschillende oorzaken ontstaan. Eén van
die oorzaken is het klimaat.
2p 5 Noteer één voedingsgewas waarvoor de klimaatverschillen een doorslaggevende rol
spelen. Motiveer je antwoord en zie daarbij af van de (sub)polaire gebieden op aarde.
Gebruik GB54 229. Als je deze kaart bekijkt valt op dat valt het je wellicht op dat, ondanks
het enorme landbouwareaal waarover het zuiden van de ‘voormalige Sovjet-Unie’ beschikt,
er behalve een klein volume via de Oostzee, geen handelsstromen van en naar dit gebied
gaan.
2p 6 Geef daarvoor de verklaring.
Bron 1: complementariteit
Een kernbegrip binnen de transporttheorie van Ullman is de zogenaamde
‘complementariteit’ tussen twee gebieden. Als er ergens een voedselprobleem is, zou
volgens deze theorie een transportstroom op gang moeten komen van gebieden waar een
overschot aan voedsel is naar gebieden met voedseltekorten.