5,1
- Macromoleculen zijn polymeren, opgebouwd uit monomeren.
- Drie van de vier macromoleculen; koolhydraten, eiwitten en nucleïnezuren, behalve
lipiden zijn polymeren.
- Vorming (dehydratie) en splitsing (hydrolyse) van macromoleculen
kunnen beschrijven:
Een dehydratiereactie vindt plaats wanneer twee monomeer eenheden een binding
aangaan door afsplitsing van een watermolecuul.
Hydrolyse vindt plaats wanneer een polymeer wordt afgebroken tot twee of meer
monomeren. Bij hydrolyse wordt er een watermolecuul toegevoegd.
5,2 Koolhydraten
- Koolhydraten dienen als brandstof en bouwsteen. Ze bevatten suikers en de
polymeren van suikers.
Monosachariden:
- De simpelste koolhydraten zijn monosachariden of simpele suikers.
- Monosachariden bestaan uit CH2O of een veelvoud hiervan. Glucose C6H12O6 is de
meest voorkomende monosacharide. Karakteristieke groepen: CO en meerdere OH-
groepen.
- Afhankelijk van de plaats van de carbonyl groep, is suiker een aldose (aldehyde
suiker) of een ketose (ketonen suiker). Bijvoorbeeld: Glucose is een aldose;
fructose, een isomeer van glucose, is een ketose.
- Een andere karakteristiek van suikers is de grootte van de koolstofketen. Deze
varieert van 3 tot 7 koolstofatomen. Bijvoorbeeld: glucose en fructose zijn hexosen
(6 koolstofatomen). Je hebt ook triosen en pentosen.
- Nog een karakteristiek: plaatsing van delen rondom één asymmetrische
koolstofatoom.
- In waterig milieu vormen ze ringen.
- Vooral glucose is belangrijk voor de voeding van cellen. In “cellulaire ademhaling”
halen cellen energie uit glucose door ze af te breken d.m.v. meerdere reacties.
- De koolstofatomen dienen als rauw materiaal voor de synthese van aminozuren en
vetzuren e.d.
- Suiker moleculen die hiervoor niet worden gebruikt als monomeren in disachariden
en polysachariden.