Goederenrecht
Samenvatting week 4
§12.1 algemeen
De schuldeiser komt een verhaalsrecht toe wanneer een schuldenaar zijn schuld niet
vrijwillig voldoet. Art. 3:276 geeft als hoofdregel dat de schuldeiser zijn vordering kan
verhalen op alle goederen van zijn schuldenaar. Dit verhaalsrecht heeft slechts persoonlijke
werking. Draagt de schuldenaar een aan hem toebehorend goed over, dan verliest de
schuldeiser de mogelijkheid om zich op dat goed te verhalen.
Wanneer er meerdere schuldeisers zijn die op dezelfde goederen van hun
gemeenschappelijke schuldenaar verhaal zoeken, doet zich de vraag voor naar hun
onderlinge verhouding. De hoofdregel staat in art. 3:277. Krachtens deze bepaling hebben
de schuldeisers onderling gelijk recht op voldoening uit de (netto-)opbrengst van de
goederen van hun schuldenaar naar evenredigheid van ieder vordering (=paritas
creditorum).
Op de hoofdregel van art. 3:277 bestaan, zoals uit het artikel zelf blijkt, uitzonderingen. Die
uitzonderingen heten ‘voorrang’. Onder voorrang verstaat men de gevallen waarin een
schuldeiser bij de uitoefening van zijn verhaalsrecht het recht toekomt om bij de verdeling
van de executieopbrengst voor te gaan op medeschuldeisers. De aldus in rang verhoogde
schuldeiser heet een preferente schuldeiser, daar tegenover staan de concurrente
schuldeisers, voor wie de hoofdregel van de paritas creditorum blijft gelden.
Een schuldeiser kan alleen op grond van door de wet erkende redenen voorrang toekomen,
zo bepaalt art. 3:277 lid 1, laatste zinsdeel. Art. 3:278 lid 1 noemt pand, hypotheek en
voorrecht, maar ruimt de mogelijkheid in dat ook ‘uit andere in de wet aangegeven gronden’
voorrang ontstaat. Daarbuiten kunnen partijen geen voorrang scheppen: de gevallen waarin
een schuldeiser voorrang kan hebben, vormen een gesloten systeem.
§12.2 voorrechten
Een aan een vordering – of beter gezegd aan een verhaalsrecht- verboden voorrecht
verschaft voorrang bij de verdeling van de netto-executieopbrengst op de medeschuldeisers,
in het geval van een ‘concursus creditorium’. Art. 3:278 lid 2 bepaalt dat voorrechten alleen
uit de wet ontstaan. Dit betekent dat partijen – anders dan pand en hypotheek- geen
voorrecht kunnen vestigen en bovendien dat het systeem van voorrechten gesloten is.
§12.3 pand en hypotheek
§12.3.1 inleiding
Anders dan bij voorrechten, zijn pand en hypotheek in het leven geroepen door vestiging.
Art. 3:227 lid 1 geeft een gemeenschappelijke omschrijving: het recht van pand en het recht
van hypotheek zijn beperkte rechten, strekkende om de daaraan onderworpen goederen een
vordering tot voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te
verhalen.
Pand en hypotheek zijn dus voorrangsrechten. In geval van ‘concursus’ geven zij het recht
om voor te gaan bij de verdeling van de executieopbrengst van het daardoor verbonden
goed, art. 3:227 jo. 3:278 BW.
Naast voorrangsrechten zijn pand en hypotheek – anders dan voorrechten- ook beperkte
rechten, die strekken tot verhaal op het verbonden goed, art. 3:227 BW. De wet koppelt
daaraan het recht van parate executie – het recht om zonder executoriale titel tot executie
Samenvatting week 4
§12.1 algemeen
De schuldeiser komt een verhaalsrecht toe wanneer een schuldenaar zijn schuld niet
vrijwillig voldoet. Art. 3:276 geeft als hoofdregel dat de schuldeiser zijn vordering kan
verhalen op alle goederen van zijn schuldenaar. Dit verhaalsrecht heeft slechts persoonlijke
werking. Draagt de schuldenaar een aan hem toebehorend goed over, dan verliest de
schuldeiser de mogelijkheid om zich op dat goed te verhalen.
Wanneer er meerdere schuldeisers zijn die op dezelfde goederen van hun
gemeenschappelijke schuldenaar verhaal zoeken, doet zich de vraag voor naar hun
onderlinge verhouding. De hoofdregel staat in art. 3:277. Krachtens deze bepaling hebben
de schuldeisers onderling gelijk recht op voldoening uit de (netto-)opbrengst van de
goederen van hun schuldenaar naar evenredigheid van ieder vordering (=paritas
creditorum).
Op de hoofdregel van art. 3:277 bestaan, zoals uit het artikel zelf blijkt, uitzonderingen. Die
uitzonderingen heten ‘voorrang’. Onder voorrang verstaat men de gevallen waarin een
schuldeiser bij de uitoefening van zijn verhaalsrecht het recht toekomt om bij de verdeling
van de executieopbrengst voor te gaan op medeschuldeisers. De aldus in rang verhoogde
schuldeiser heet een preferente schuldeiser, daar tegenover staan de concurrente
schuldeisers, voor wie de hoofdregel van de paritas creditorum blijft gelden.
Een schuldeiser kan alleen op grond van door de wet erkende redenen voorrang toekomen,
zo bepaalt art. 3:277 lid 1, laatste zinsdeel. Art. 3:278 lid 1 noemt pand, hypotheek en
voorrecht, maar ruimt de mogelijkheid in dat ook ‘uit andere in de wet aangegeven gronden’
voorrang ontstaat. Daarbuiten kunnen partijen geen voorrang scheppen: de gevallen waarin
een schuldeiser voorrang kan hebben, vormen een gesloten systeem.
§12.2 voorrechten
Een aan een vordering – of beter gezegd aan een verhaalsrecht- verboden voorrecht
verschaft voorrang bij de verdeling van de netto-executieopbrengst op de medeschuldeisers,
in het geval van een ‘concursus creditorium’. Art. 3:278 lid 2 bepaalt dat voorrechten alleen
uit de wet ontstaan. Dit betekent dat partijen – anders dan pand en hypotheek- geen
voorrecht kunnen vestigen en bovendien dat het systeem van voorrechten gesloten is.
§12.3 pand en hypotheek
§12.3.1 inleiding
Anders dan bij voorrechten, zijn pand en hypotheek in het leven geroepen door vestiging.
Art. 3:227 lid 1 geeft een gemeenschappelijke omschrijving: het recht van pand en het recht
van hypotheek zijn beperkte rechten, strekkende om de daaraan onderworpen goederen een
vordering tot voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te
verhalen.
Pand en hypotheek zijn dus voorrangsrechten. In geval van ‘concursus’ geven zij het recht
om voor te gaan bij de verdeling van de executieopbrengst van het daardoor verbonden
goed, art. 3:227 jo. 3:278 BW.
Naast voorrangsrechten zijn pand en hypotheek – anders dan voorrechten- ook beperkte
rechten, die strekken tot verhaal op het verbonden goed, art. 3:227 BW. De wet koppelt
daaraan het recht van parate executie – het recht om zonder executoriale titel tot executie