INTRAMUSCULAIR:
1. Geef aan uit welke lagen de huid bestaat:
De opperhuid, de lederhuid en het onderhuidsbindweefsel
2. Vertel wat de indicaties zijn om intramusculair te injecteren en welke medicatie
intramusculair geïnjecteerd wordt (noem minstens 3 medicijngroepen):
- Medicijn kan niet via het maag-darmkanaal worden opgenomen
- Medicijn wordt goed opgenomen in de spier
- Medicijn dient snel te werken
Medicijngroepen: vitamines, antibiotica en pijnbestrijding
1. Leg uit wat het verschil is bij opname van intramusculair injecteren vergeleken bij orale
medicatie en vergeleken bij subcutane injecties:
Bij orale opname neem je tabletten, dagrees, capsules, drankjes of poeders in, dit gebeurd via
de mond.
Bij Intramusculaire opname wordt de medicatie met een naald in je spier geïnjecteerd.
Bij subcutane opname wordt de medicatie met een naald onder de huid geïnjecteerd.
, 2. Plaatsen waar intramusculair geïnjecteerd wordt en hoe wordt de plaats precies
bepaalt?:
- Bilspier -> bovenste buitenste bilkwadrant
- Armspier -> bovenste derde gedeelte van de bovenarm aan de buitenzijde
- Dijbeenspier -> middelste derde gedeelte van het bovenbeen aan de buitenzijde
1. Leg uit waarom je wel moet desinfecteren bij kwetsbare groepen:
Je doet dit om infecties te voorkomen door de bacteriën op de huid weg te halen in de buurt
van de spuitplek.
2. Welke controles doe je voordat je de patiënt de medicatie injecteert?:
- Heb je het juiste medicijn?
- Is het de juiste patiënt/cliënt?
- Is dit het juiste tijdstip?
- Wat is de juiste wijze van toedienen?
- Wat is de juiste dosis?
1. Welke technieken zijn er voor intramusculair injecteren? Noem er minstens 4:
- Loodrechttechniek
- Depotwisselingstechniek
- Zigzagtechniek
- Rangeertechniek.
1. In welke weefsels mag je niet intramusculair injecteren? Noem er minstens 4:
- Littekenweefsel
- Hematoom
- In de buurt van grote bloedvaten
- Ontstoken of pijnlijke plaatsen