Circulatie: biofysica van druk, stroom en weerstand
Wat zijn mechanismen voor controleren van bloed volume en bloedstroom en op welke manier is dit
proces gerelateerd aan andere functies van de circulatie?
Functie van circulatie: handhaven van een geschikte omgeving in alle weefselvloeistoffen voor
optimale functie van cellen. Snelheid van bloed door weefsel wordt bepaald door voedingsstoffen die
nodig zijn in die weefsels. Nier krijgt veel meer bloed dan nodig voor metabolische behoefte, heeft
excitatorische functie: groot volume bloed wordt elke minuut gefiltreerd. Hart en bloedvaten zorgen
voor nodige cardiac output en arteriële druk voor nodige bloedstroom door weefsels.
Fysieke kenmerken van de circulatie
Functionele delen van circulatie:
Systematische circulatie (perifere circulatie/grote circulatie) en pulmonale circulatie.
Arteriën: transporteren van bloed naar weefsels onder hoge druk. (sterke vasculaire wanden, grote
snelheid bloedstroom).
Arteriolen: laatste, kleine vertakkingen van arteriële systeem, controle conduits waardoor bloed
wordt afgegeven aan capillairen. Sterke musculaire wanden die arteriolen kunnen sluiten/dilateren
wijzigen bloedstroom in weefsel
Capillairen: uitwisselen vloeistof, voedingsstoffen, elektrolyten, hormonen, etc. tussen bloed en
interstitiele vloeistof. (wanden zijn dun, heel veel capillary pores die permeabel zijn voor water en
andere kleine substanties).
Venulen: verzamelen bloed van capillairen en komt daarna terecht in progressief groter wordende
vaten
Vaten: conduits van transport van bloed van venulen naar hart. Functioneren als reservoir voor
bloed. Door lage bloeddruk zijn wanden dun, maar kunnen wel samentrekken.
Volumen van bloed:
Systematische circulatie: 84 procent
vaten: 64%
arteriën: 13%
arteriolen/capillairen: 7% (laag!)
Pulmonaire vaten: 9%
Hart: 7%
Oppervlakte van dwarsdoorsnede (cm2) van systematische vaten
Aorta: 2.5
Arteriën: 20
Arteriolen: 40
Capillairen: 2500
venulen: 250
vaten: 80 (4 x zo groot als arteriën, voor opslag)
venae cavae: 8