GROEI EN ONTWIKEKLING 1
Casus 4: De blauwdruk
Onderwerp: genen, transcriptie, translatie
Wat is een gen en hoe is het opgebouwd?
Een gen is een afgebakend stuk DNA op een chromosoom, dat in de volgorde van
nucleotiden de informatie bevat voor één of meerdere specifieke eiwitten. Je kunt ook
zeggen dat het gen codeert voor het eiwit. Een eiwit kan een erfelijke eigenschap tot
uiting brengen, zoals bloedgroep.
Elk gen heeft een vaste plek, een zogenaamde locus, op een chromosoom. Op die plaats
kunnen van hetzelfde gen verschillende varianten voorkomen, die we allelen noemen.
Een locus is dus de plaats op een chromosoom. Binnen dezelfde soort vind je de allelen
van een bepaald gen altijd op hetzelfde locus. Een locus wordt aangegeven met het
nummer van het chromosoom waar het gen zich op bevindt. Een letter voor de ‘poot’ van
het chromosoom en een nummer voor de gekleurde band waarin de locus zich bevindt.
Als we dan kijken naar de chromosomen en hoe de genen daar op liggen zien we het
volgende. Twee homologe chromosomen vormen samen een paar. Zij hebben dezelfde
genensamenstelling; elk gen heeft dus een 'tweeling-gen op het homologe chromosoom.
Zo'n paar overeenkomstige genen noem je een allelenpaar. Allelen komen dus in precies
dezelfde volgorde op precies dezelfde plaatsen (loci) in de homologe chromosomen voor.
Slechts een klein deel van alle DNA in een cel bestaat uit genen. De rest codeert niet
voor eiwitten, we noemen dit non-coding DNA.
Casus 4: De blauwdruk
Onderwerp: genen, transcriptie, translatie
Wat is een gen en hoe is het opgebouwd?
Een gen is een afgebakend stuk DNA op een chromosoom, dat in de volgorde van
nucleotiden de informatie bevat voor één of meerdere specifieke eiwitten. Je kunt ook
zeggen dat het gen codeert voor het eiwit. Een eiwit kan een erfelijke eigenschap tot
uiting brengen, zoals bloedgroep.
Elk gen heeft een vaste plek, een zogenaamde locus, op een chromosoom. Op die plaats
kunnen van hetzelfde gen verschillende varianten voorkomen, die we allelen noemen.
Een locus is dus de plaats op een chromosoom. Binnen dezelfde soort vind je de allelen
van een bepaald gen altijd op hetzelfde locus. Een locus wordt aangegeven met het
nummer van het chromosoom waar het gen zich op bevindt. Een letter voor de ‘poot’ van
het chromosoom en een nummer voor de gekleurde band waarin de locus zich bevindt.
Als we dan kijken naar de chromosomen en hoe de genen daar op liggen zien we het
volgende. Twee homologe chromosomen vormen samen een paar. Zij hebben dezelfde
genensamenstelling; elk gen heeft dus een 'tweeling-gen op het homologe chromosoom.
Zo'n paar overeenkomstige genen noem je een allelenpaar. Allelen komen dus in precies
dezelfde volgorde op precies dezelfde plaatsen (loci) in de homologe chromosomen voor.
Slechts een klein deel van alle DNA in een cel bestaat uit genen. De rest codeert niet
voor eiwitten, we noemen dit non-coding DNA.